elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: front

front , frōnt , in: frōnt schoppen, of: sloagen = zich groot voordoen, heel wat vertooning maken; wordt ook van gebouwen gezegd. Eene versterking er van is: ’n frōnt schōppen as ’n oorlogschip. – front = voorzijde, van een gebouw.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
front , front* , vergel. swat * (ook de aanteekening.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
front , front , halfhemd.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
front , fruntje , o , voorstukje onder het vest
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
front , fronte , zelfstandig naamwoord meervoud , Kuren, grillen | Ik hou niet van die nuwerwisse fronte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
front , front , het, de (bet. 3.) , fronten , 1. front In de oorlog hadden ze drei jongen an het front (Bro), Hie hef veur het front legen (Bco), ...aan het front legen (Bor), Hie hef an het front staon (Wee), Kom der mor met veur het front kom er maar mee voor den dag (Bal), Koem maor ies veur het front met je neie jurk (Hoh), Overmorgen moet ik veur het front moet ik me verdedigen (Die), Ik kan gien veurzitster worden; zo veur het front van de vergadering is niks veur mij (Noo), Aj met één of aander zaok met mekaor wat bereiken wilt, dan moej één front vurmen (And) 2. voorste deel van gebouw Het veurste deel van het hoes is het front (Emm), Dat hoes hef met die verbouwing een mooi front kregen (Ndo) 3. boezem Wat hef dat mèensk een front (Gro), zie ook veurfront 4. gesteven voorstuk van een overhemd Vrogger dreugen de mannen een lös zwart front, soms ook een wit; het was mit baanties vast eknupt op de rogge (Die), Vrögger haj vake in een aoverhemd een frontie, dat is een stuk veur in het hemd dat apart of ezet was of van aandere stof der in neid, dat ook apart esteven en estreken worde, mar ie hadden ook lösse fronten, die aj um de nekke muzzen doen en vaste edaon worden mit een boordeknopie (Hgv), Waor zul die hen willen, die hef front veur (Sle), Hij har een fruntken veur (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
front , front , zelfstandig naamwoord , et 1. voorkant, vooraanzicht 2. stevige, volle buste 3. front bij oorlog 4. bep. gesteven kledingstuk voor de borst langs, ook opgenaaid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
front , front , zelfstandig naamwoord , frontje , WBD III.1.3:47 'front', 'frontje' = halfhemd; WBD III.1.3:141 'frontje' = gesteven voorstuk v.e. overhemd; ook: 'plastron'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut