elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: friemelen 

friemelen  , friemmele , bewegelijk zijn.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
friemelen , friemele , strelen en aaien.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
friemelen , fraaien , zwak werkwoord, wederkerend , (Zuidoost-Drents veengebied, veroud.) = zich verheugen Hij fraaide zuk dat hij mitmug (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
friemelen , friemeln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. friemelen Hij zat ieder keer an mien oor te friemeln (Een), (..:) zaten an het ooriezer en de witte mus te friemeln (md:Dal), Hol toch is op te friemeln (Row), Zij friemelt het wat bie mekaar (Bco), Zit niet zo te friemeln an dat schone kleedtien, het is zo weer voel (Bei), Die meid wordt nogal ies vake efriemeld betast (Zdw), zie ook fiemeln 2. verfrommelen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Het wil niet vlotten mit het schrieven, ik friemel de boel in mekaar (Dwij) 3. morrelen (Midden-Drenthe) Wat is dat veur allaarm, het is net of der één bij die deur zit te friemeln (And) 4. jeuken, kriebelen (Zuidoost-Drents zandgebied) Het friemelt mij op de rugge (Emm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
friemelen , friemelen , krioelen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
friemelen , friemeln , 1. bevoelen van dingen. Wat staoj daor te friemeln? 2. klein priegelwerk. Dit gefriemel is bekant niet te zien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
friemelen , friemelen , werkwoord , 1. friemelen, ook: klein, licht werk doen 2 wriemelen, krioelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
friemelen , friemele , gefriemel , 1. iemand hinderlijk aanraken, 2. gepriegel met veel geduld en veel moeite iets heel kleins maken of in elkaar zetten , 1. zit nie zo aon m’n lijf te friemele = blijf van me af - 2. a’k da gefriemel zie, dan wor ik al zenuwaachtig = als ik naar dat gepriegel kijk, dan word ik al zenuwachtig
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
friemelen , friemele , in friemele vur ’n frènkske friemelen voor een Belgische frank , Friemele vur ’n frènkske. Voor een frank even gewaagd aan een vrouw frutselen. Zo werd door mannen onder elkaar gezegd. Maar ook gedaan?
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
friemelen , friemele , zwak werkwoord , WBD III.1.2:22 'friemelen' = krioelen; ook: 'wemelen','wriemelen', 'kriemelen', 'krieuwielen', 'broeliën', 'draaien'; WBD III.1.2:26 'friemelen' = heen en weer schuiven; ook 'wieberen'; III.1.4:363 'friemelen' = prutsen; 404 'friemelwerk', 'gefriemel' = vervelend werk
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut