elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: frech

frech , vrech , brutaal. Zoë vrech as göötendrek of geutendrek, zeer brutaal. Zoeë vrech as de straot, zeer brutaal.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
frech , vreg , vrek , [D.: frech] brutaal, onbeschoft Dè’s echt ’n vreg jong! Dat is een brutale jongen! [Box]; Doe ’s nie zò vrek! Doe niet zo brutaal! [Oef]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
frech , frech , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents veengebied) = brutaal Hij sprak aordig frech (Eri), Dat was een freche kerel (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
frech , frech , bijvoeglijk naamwoord , brutaal, onbeschaamd (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
frech , vrech , vrek , brutaal
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut