elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fortuin 

fortuin , fertuun , (fortuin), verkleinwoord fertuuntje, als zaaknaam; da’s ’n fertuun = dat is een onverwacht voordeel; hij het ’n fertuuntje had, zegt men bv. wanneer iemand eene erfenis is ten deel gevallen; doar zit gijn fertuun in = die zaak, of: die onderneming zal geen voordeel opleveren. Spreekwoord: De fertuun is rōnd; Oostfriesch Dat glük is rund, de ên löpt ’t fȫrbi un de anner in de mund.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fortuin  , fortün , fortuin.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
fortuin , furtuin , fortuin , Z’n furtuin gemakt hébbe. Zijn fortuin gemaakt hebben. Dit gezegde bezit een verwijtende toon wegens een verlaagde inzet voor activiteiten.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
fortuin , fortuun , fertuun , (onzijdig) , fortune , fortuunke , fortuin , Ei fertuun verdene. Dae haet zie fertuun gemaaktj: hij heeft een rijke partner getrouwd. Fortuun gemaaktj höbbe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut