elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fooi 

fooi , fooi , Alzoo wordt in deze streken genaamd het maal of dranken, de welke de landlieden aan hunne geburen, enz. geven, nadat deze hun eenige gezamenlijke dien
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
fooi  , foei , fooi.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
fooi , fooi , de, het , fooien , 1. fooi Ik heb de kapper ok een fooi geven (Sle), Hij krig een fooi, dei gieneine wat angait krijgt niets (Bov), Hij hef de fooi te pakken hij heeft het geld in zijn zak (Dwij) 2. habbekrats Het was eigenlijk maor een fooi waw der veur kregen hebt (Bor) 3. (meestal zonder lidw.) tractatie na het binnenhalen van de oogst (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) As eerpel oet de grond wassen, dan kregen wai het fooi, dat was poeiersukkelaomelk (Pei), Aj de eerpels der uut hebt, kriej fooi mag je zoveel sagomelk drinken en krentebrood eten als je wilt (Dwi), ...’dan werd er saliemelk of kaneelmelk geschonken, later ook chocolademelk en nog later ook wel euliekoken (Die), Fooi drinken chocolademelk drinken en euliekoeken bakken (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fooi , foi , fooi.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
fooi , fooi , fooi
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fooi , fooi , zelfstandig naamwoord , de; 1. fooi 2. bijzondere tractatie bij het oogsten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fooi , foj , fooi
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
fooi , fwooj , vrouwtjeskonijn , hadde gij ramme of fwooje? = heb jij mannetjes- of vrouwtjeskonijnen?
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
fooi , fwooj , fooi, extra bedrag geven bij het afrekenen , gèttoch zeker wel een fwoojke gegeve? ikke nie, da’s uit de tijd = je hebt toch zeker wel wat extra’s gegeven? ik niet, dat is uit de tijd-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
fooi , foj , fooi
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
fooi , fooi , zelfstandig naamwoord , vrouwelijk konijn (Tilburg en Midden-Brabant; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
fooi , fwooi , zelfstandig naamwoord , vrouwelijk konijn (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
fooi , foeaj , (vrouwelijk) , foeaje , fuuejke , fooi
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut