elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: foeteren 

foeteren , foetern , razen, tieren; Gron. foetern = brommen, knorren, grommen, met vloeken gepaard, ook Overijs. ZLimb. foetere = knorren, schelden; Oostfr. Hess. Westf. fütern = schelden, HD. donnerkeilen. Van ’t Fransche foudre (bliksem), als vloek.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
foeteren , fûtern , (zwak werkwoord) , knorren.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
foeteren , foetern , brommen, knorren, grommen, vloeken; ook Overijselsch; Drentsch foetern = razen, schelden, tieren; Zuid-Limburg foetere = knorren, schelden; Oostfriesch, Hessen, Westfaalsch fûtern = schelden, Hoogduitsch donnerkeilen. Van ’t Fransche foudre (bliksem) als vloek; foetermienklompie, soort van basterdvloek als tusschenwerpsel gebruikt, en tennaastebij zooveel als: ha! dat is wel aardig, ik vind dat men er om lachen moet (ofschoon men er veel ophef mee maakt). Misschien van het Latijnsche futuere (Fransch) foutre, en alsdan te vergelijken met Gron. Wbk. bl. 279 1e Kol. r. 9 v. o. en vooral met bl. 279, 2e Kol. r. 1 v. b. Vgl. v. Dale art. foeteren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
foeteren , futeren , Brommen, knorren, opspelen, aangaan. Vader zal wel futeren ak zoo late in hü̂s komme. D(i)ee baas lig altît op de knechs te futeren. Afl. gefuter. Ook Gron. en Limb.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
foeteren , futeren , (zwak werkwoord, intransitief) , Hetz. als foeteren 2; zie aldaar. – In het bijzonder zich aan onanie schuldig maken. || “Hoe ziet die jongen er zo slecht uit?” “Hij futert te veel.”
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
foeteren , foeteren , (zwak werkwoord, intransitief) , 1) Mopperen, pruttelen, zijn ongenoegen te kennen geven. || Hè, wat foeter-je toch, is ’et niet na je zin? Foeter maar niet langer, ik verander ’et toch niet. ‒ Foeteren wordt bij VAN DALE vermeld in de bet. van zweren (vloeken?) en knorren, mopperen. Het woord schijnt algemeen Ned. te zijn. In Gron. en Oost-Friesl. beduidt het schelden en in die zin is het ook verderop in Duitsland bekend. Zie de wdbb. 2) Met de vingers aan iets zitten te beuzelen. || Wat zit je daar te foeteren, ken-je ’et niet gedaan krijgen? Foeter der nou maar niet langer an, aârs gaat ’et helegaar stuk. Zit niet zo an je boezel te foeteren. Foeter toch niet zo an me goed (zit toch niet zo de hele tijd aan mijn kleren). ‒ Vgl. futeren II.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
foeteren , foetern* , vergel. v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
foeteren , futeren , Brommen, knorren, opspelen, aangaan. Vader zal wel futeren ak zoo late in hü̂s komme. D(i)ee baas lig altît op de knechs te futeren. Afl. gefuter. Ook Gron. en Limb.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
foeteren  , foettere , brommen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
foeteren , foetern , zwak werkwoord, onovergankelijk , foeteren As je vaoder heurt wat ondeug oj daon hebt, wat zal die dan foetern (And), Ie hoeven niet zo te foetern. Aj het gewoon zeggen, is het mij ook wel dudelijk da’k het verkeerd edaon hebbe (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
foeteren , foeteren , mompelen, knorren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
foeteren , foetern , foeteren. Foetern help oe niks, de jonge dut ’t toch weer.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
foeteren , foettere , mopperen , Ge moet nie zó foettere, 't kan ók óp 'n plezierrege menier gezeed worre. Je moet niet zo mopperen, het kan ook op een prettige manier gezegd worden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
foeteren , foetere , mopperen , die vrouw kan toch foetere ééj = die vrouw kan toch mopperen!- da mèès foetert altij = die vrouw moppert altijd-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
foeteren , foetere , werkwoord , mopperen, snauwen (Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant; Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut