elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fluit 

fluit , fluitien , voor fluitje; gefloten deun; met ’n fluitien = al fluitende.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
fluit , fluit , mōg’n fluit! , zie: flaipiepen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fluit , flaite , floit , flaite (Oldampt, Westerwolde) = floit (Stad-Groningsch) = fluit. Middel-Nederlandsch floyte, enz., Middel-Nederduitsch vloite, enz. (Verdam). Ald. floyten, ook fleìten = fluiten. Kil. fluyte, Oostfriesch fleite, fleute, fleit, Hoogduitsch Fleute, Flöte, Middel-Hoogduitsch vloite, flöite, Italiaansch flauto, Fransch flûte. – Ook = cunnus, en inzooverre te vergelijken met: fluiten (flaiten) = wateren. Westfaalsch flöten = met water besproeien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fluit , fluit , ‘Fluitje verkopen?’ vragen (vroegen) de straatjongens te Utrecht als zij een ‘heer’ op straat zien of hooren fluiten.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
fluit  , fluit , straatmeid.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
fluit , fläute , vrouwelijk , fluit
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
fluit , flùejte , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , flùetjtn , flùejtjen , fluit
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
fluit , fluit , v , vr. schaamdeel; nare wulpse vrouw; niets. 'k vien d’r gén fluit án. Ik vind er niets aan.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
fluit , fluut , zelfstandig naamwoord de , Mus (Warmenhuizen). Ook bijnaam van de familie Mos aldaar.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fluit , flötje , fluitje gemaakt uit onder andere de holle stengel van een korenstengel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
fluit , flùit , zelfstandig naamwoord , fluit. Benaming van een schaamteloze vrouw. ‘n Zotte flùit.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
fluit , fluite , 1. fluit. 2. leuke, jonge meid.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
fluit , fluite , 1. een jonge fluite: een jonge meid; 2. fluit.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
fluit , fluit , fluite, fluide, fluut, flaite , fluiten , Ook fluite (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), fluide (Veenkoloniën), fluut (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), flaite (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. fluit De jonges maken een fluitie van ap-sap-siepiesholt (Hijk), Een fluut is een meziekinstrument (Klv), Hij speult op de fluite (Dwi), De fluite is van de ketel vallen fluit van fluitketel (Bov), Het fluitien van de conducteur kuj op de mark heuren (Pdh), Het is naor de fluiten kapot (Die), Dat werk was een fluitien van een cent stelde niets voor (Mep), Hij is zo recht as een fluite (Hijk), Het löp weer as een fluit gesmeerd (Een) 2. sirene (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Daor heur ie de fluite van ’t botterfebriek (Hgv) 3. mannelijk geslachtsdeel (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) De duit en de fluit verneukt ieder man geld en sex (Hgv), Het giet in de wereld vaeke um de duit en de fluit (Dwi), Schaam ie oe niet kiend en lopen daor mit de blote fluite buten? met blote gat (Ruw), ook wel gezegd van vrouwelijk geslachtsdeel (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) 4. in an de fluit lijdend aan diarree (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) 5. in op de fluit failliet (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) 6. in gien fluit helemaal niets Der is geen fluit aan (Dal), Ik geleuve der gien fluit van (Die), Dat peerd is gien fluit an gelegen is niets waard (And), Het döt hum gien fluit het doet hem niets (Pes) *Luuksien mien fluuksien / Mit een fluutien an de neers / Wat keken de jonges / En wat lachte Jan Geers (Ruw), ...Mit ’t fluitien an ’t gat / Luuksien wol fluiten / Maar ’t fluitien det brak (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fluit , fluite , fluit
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fluit , fluite , fluit.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
fluit , flûit , wuft meisje , Dés 'n 'flûit' zègge ze wél'les van 'n méijd, mér dé's nie zó schón és'se dé van'new zègge. Dat is een ‘wuft meisje’ zeggen ze wel eens, maar dat is niet zo mooi als ze dat van je zeggen. Un kléén flûit noeme ze 'n flûtje, die môkte wéij vruuger van willege hout. Een kleine fluit noemen ze een fluitje, die maakten wij vroeger van wilgenhout.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
fluit , fluite , zelfstandig naamwoord , de; fluit; fluitien, et 1. fluitje 2. kort melodietje dat men fluit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fluit , fluit , zelfstandig naamwoord , in an de fluit met diarree, gien fluit niets, d’r de fluit van hebben er genoeg van hebben, op ’e fluit failliet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fluit , fluit , uitdrukking , ’t Past as een fluit in een weduwvrouw Gezegde van ambachtslui als antwoord op de vraag of iets past
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
fluit , flötje , fluitje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
fluit , fluite , (zelfstandig naamwoord) , fluit. Uitdr.: Dät is nog een jonge fluite ‘dat is nog een jonge meid’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
fluit , fluitje , mannenbroek manvolksbroek zonder gulp (zie snoeptaofel)
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
fluit , [vrouw van losse zeden] , flèùjt , vrouw die het met de zeden niet zo nauw neemt
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
fluit , [geslachtsdeel] , fluuterke , piemeltje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
fluit , [penis] , fleut , penis; fleuten, urineren (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
fluit , fluit , (vrouwelijk) , fluite , fluitje , 1. fluit 2. manzieke vrouw 3. vagina , Verkoup mich det fluitje: werd gekscherend tegen iemand gezegd die al fluitend door het leven ging.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
fluit , fleut , met moeite; hinderlijk; ’k Lôôp me fleut betekent: ik moet veel (lang) lopen. ’k Ben me fleut gewaaid wil zoveel zeggen als: ik heb tegen een fikse wind in moeten optornen en ben daardoor nog een beetje buiten adem
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
fluit , flèùt , zelfstandig naamwoord , flötje , "fluit; WBD 'fluitkeetel' (II:1390) - fluitketel: stoomketel (voor petten); WBD III.1.1:222 'fluit' = penis; WBD III.1.4:109 'fluit' = ondeugende vrouw; WBD III.2.2:113 'fluit' = zedelijk slecht meisje; Cornelis Verhoeven:  FLUIT (flöt), v. behalve het muziekinstrument ook: gulp v.d. mannenbroek: oew flö:t stoj ope. vóór de invoering van de gulp, ten tijde v.d. zgn. klepbroek, zal 'fluit' betekend hebben: mannelijk lid (zie WNT); A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord vr. fluit: l) vrouwelijk schaamdeel; 2) ""eene wulpsche vrouw""; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – 'fluit' - benaming v.e. schaamteloze vrouw; flötje; fluitje; — verkleinwoord van 'flèùt', met vocaalkrimping; N. Daamen - handschrift 1916 - ""fluitje - 't goa as 'n fluitje ('t gaat vanzelf)""; WBD (III.3.2:339) flötje = kinderfluitje, ook 'fieper' of 'fiepertje'; WBD (III.1.1:222) 'fluitje' = penis; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – flötje - fluitje, piemeltje; flötje flötje flierehout, as ge nie afgòt zèdde stout"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
fluit , fluite , flaot – geflöt , fluiten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut