elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flous

flous , flousie , (onzijdig) , flousies , bedrog, voorwendsel, bedriegerijtje, jodenstreek, het is maar een flousie, om achter de waarheid te komen, een middel om iemand beet te nemen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
flous , flauze , flouze , (vrouwelijk) , flauzen , bedriegelijk praatje.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
flous , flausen , flousen, flousies , (Stad-Groningsch), zonder enkelvoud = draaiers, leugens. Noord-Brabant flouzen, Stadsfriesch flauwzen, Geldersch flausen = met leugens omgaan, liegen; Kil. fleeuwen (vet.) Tiland = vleyen; Overijselsch flousen = gekheid; Oostfriesch flausen (zonder enkelvoud) = bedriegelijke voorspiegeling om iets te verbergen, in den kleinhandel; Nedersaksisch, Holsteinsch flausen = liegen; flausenmaker = leugenaar; Westfaalsch vlause, Hoogduitsch Flause = valsche voorspiegeling, uitvlucht, voorwendsel. (v. Dale: flous = onwaarheid, uitvlucht.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
flous , flausen* , flousies, flauwen , Nederlandsch flousen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
flous , flouze , onzinnige woorden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
flous , flauwsie , zelfstandig naamwoord ’t , Flauw grapje, flauwe opmerking, leugentje. Vgl. Fries flouke.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut