elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: floep 

floep , flōp , (tusschenwerpsel), voor het geluid van een’ slag of klap, bv. het toeslaan van een deksel, het geluid van eene klapbus als er met ééne prop geschoten wordt; in ’n flōp = in een oogenblik; Oostfriesch flup, flups = slag, zwaai, ommezien, enz.; dat was man so’n flups; mit ’n flup was hê d’r wër; – ’t is ’n flōp = ’t is mis, er komt niets van; – ’t is ’n flōp, of: ’t is ’n flōppie, van personen gezegd, = een sukkel, een bloed, ook: een mispunt, ’n verkeerde, een onhandelbaar mensch, of: iemand die niet voor zijn post berekend is, enz. Spreekwoord: Flōp zee Gees en scheet in theeketel, of: Flōp zee Gees en meeg in de hozen. Zie ook: flōppert.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
floep  , floep , uitroep b.v. hopla.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
floep , floep , de , floepen , 1. oogwenk, ommezien (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Het goed was in een floep dreug (Sle), Het was mar iene floep, ...gloep en doe was het gebeurd (Dwij), In een floep was alles weg (Bui), Met de auto is het mor een floep (Pei) 2. gezegd ten teken van afscheid Nou, de floep, heur (Ker) 3. ontstopper (Zuidoost-Drents zandgebied) 4. (tw.) floep Floep, door is weer een bigge (Bov) *Floep, Annegie, al weer een big gezegd bij het biggen (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
floep , floep , zelfstandig naamwoord , de; 1. floepende beweging, floepend geluid 2. vouw, deuk die er niet best uit wil en er gemakkelijk weer in schiet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
floep , [slag in het wiel] , floepe , slag in het wiel (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
floep , floep , (mannelijk) , schrik , Floep vuuer d’n hóndj höbbe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut