elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flikken 

flikken , vlikken , vlikkeren , vleijen. πληγειν [πλησσειν]; πληγη. plangere. Goth. flekan, [slaan, klappen] op de borst slaan. Van hier de klapwiek. [Gl. MS. A. S. flien, penna.] flik, wiek. flikken, met een wiek streelen; freq. vlikkeren, id. maar bij de A. S. fliccerian, [Kil. vleggheren] met de wieken wapperen. Holl. een vlikker slaan, danser un entrechat, en hiervan vlikkeren, schitteren door snelle beweging. Men verdubbelt de beteekenis met flik-flooijen. Het L. F. flaye heeft zich opgelost in het platduitsche floyen en Holl. vleijen: ook floy, vleiachtig, verwisselen de pl. d. met flei; en flik-vlooijen is dus eigenl. met een wiek al streelende caresseren, juist als pluim-strijken, [niet over, maar met de pluim aaijen], of gelijk de L. F. het nog uitvoeriger schilderen, mei plomke-bjizzems oaffeye, met donzen schuijers afvegen, d. i. honig om den mond strijken, vleijen. De Duitschers daarom ook zeer eigenaardig in hunne spreektaal, fuchs-schwänzen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
flikken , flikken , (intransitief werkwoord) , flikkeren, opflikken, opknappen, hij laat zijn huis puur opflikken, bestrijken en poetsen. Met er wat verw op te smeren, en daardoor meer glans aan te brengen flikt het veel op.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
flikken , flikken , (zwak werkwoord) , slaan, lappen (van schoenen en in figuurlijken zin).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
flikken , flikken , klappen, bv.: in de handen flikken, Oostfriesch flikflakken, plikplakken. In: ’k zel ’t wel flikken, fig. zooveel als: ’k zal het wel in goede orde brengen, en dan = het Nederlandsche flikken = lappen, verstellen, waarvoor ook: wij zullen dat wel lappen; er een van te goar flikken = van die stukken een voorwerp, bv. een kleedingstuk maken. Het woord zal klanknabootsend zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
flikken , flikken , (zwak werkwoord, transitief) , Zie de wdbb. ‒ Ook in de uitdr. hij zal het wel flikken, wel lappen, klaarspelen, tot een goed einde brengen. ‒ Evenzo elders.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
flikken  , flikke , vleien, ook repareeren. Flik den ül dan vrit hae good, iemand vleien. Det fliks te dökker, pas op dat je dit nog eenmaal doet.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
flikken , fikken , 1. slaan. 2. iets klaar spelen. 3. schoenen repareren 4. een poets bakken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
flikken , flikke , werkwoord , Doen, voor elkaar maken. | Hoe het ie dat flikt? Het woord is ontleend aan het Duitse flicken = maken, repareren. Zegswijze as ie ’t maar half flikke ken, doet ie ’t heêl, als hij maar even de kans krijgt, profiteert hij er ten volle van (ten nadele van een ander).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
flikken , flikken , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. oplappen, repareren Die olde bokse hezze weer mooi opflikt (Scho), Die broek is zo kepot, wij zölt ’t hum ies even flikken um der weer wat fesoen an te kriegen (Koe), Die schomaeker zit de hele dag mor olde schonen te flikken (Die), Ik zal het gauw even an mekaar flikken (Exl), 2. slaan, bekloppen (Zuidwest-Drenthe) Die spieker zal ik er wel èven in flikken (Smi), Det peerd ... muj is flikken op de hals (Pes) 3. klaarspelen Dat hej hum rap flikt (Pdh), Duvekater, det hej even good eflikt (Pes), De kleinzeune wil in de vekaansie van twei olde fietsen iene maken, het zal mij beneien as hij det kan flikken (Dwij), Dat wark zuw ies even mooi flikken (Oos), Da’s knap daon, heur, waj daor flikt hebben (Smi) 4. wagen Flik het niet dat doe de kaste ondersteboven zetst (Bco), Det muj hum mij niet flikken daj het pad opgaot (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flikken , flikken , flikken: het wegwerken van kleine plekjes op geëmailleerde artikelen, waar de kleuremaille zich niet goed gehecht had. Dit gebeurde na het branden
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
flikken , flikken , doen, wagen. Det flik ie mien niet ‘dat doe je niet’, Det mos ie ies flikken ‘dat moest je eens wagen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
flikken , flikken , werkwoord , 1. leveren, vlot uitvoeren 2. herstellen, lappen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flikken , [flemen] , fläöken , flemen, slijmen; fläökerd, slijmerd, flikflooier, mooiprater (N.O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
flikken , flikke , fliktj, flikdje, gefliktj , doen , Det höbs se ’m good gefliktj. Det mós se mich neet mieër flikke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut