elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flets 

flets , flets , (fles) , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. ‒ Ook flauw, van een zieke die geen etenslust heeft. || Ik voel me zo fles.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
flets  , flaats , lichte slag, ook uitroep.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
flets , flàts , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , flets
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
flets , flets , bijvoeglijk naamwoord , 1. met ongezonde, bleke gelaatskleur 2. dof, niet helder 3. verlept
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flets , fleñs , bijvoeglijk naamwoord , bleek, ziekelijk Ze lôôp wel buite maor ze zietter nog fleñs uit
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
flets , flèps , bijvoeglijk naamwoord , flauw, bleek (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut