elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flauw 

flauw , flau , flouw , (bijvoeglijk naamwoord) , flauwe , zwak, onmachtig, laf, smakeloos.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
flauw , flauw , fleeuw , (bijvoeglijk naamwoord) , Daarnaast soms fleeuw. Zie de wdbb. || Ik ben fleeuw van de honger. ‒ Bij vissers. Ontzet; van water dat stinkt. Synon. vlaai; zie vlaai II. || ’t Water is flauw, de vis gaat er in dood.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
flauw  , flouw , flauw. flouwe köl, onzin.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
flauw , flauw , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 niet zout, 2 zwak
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
flauw , fleêuw , bijvoeglijk naamwoord , Flauw van smaak, zouteloos. De vorm fleêuw wordt doorgans alleen gebruikt met betrekking tot spijzen zelden figuurlijk: de soep is fleêuw, maar: doen niet zô flauw. Zegswijze ’t smaakt zô fleêuw as ’n nochter kalf, het smaakt erg flauw.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
flauw , flauw , flaauw , Ook flaauw (Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe) = 1. flauw, smakeloos Dat eten is te min zolt in, het is aordig flauw (And), Het eten is zo flauw as een ei zonder zolt (Pes) 2. flauw, slap, gammel, zwak Hej nog een stukkien zolte worst, ik vule mij wat flauw (Ruw), Het klunk mar flauwgies (Oos), Een flauw vlammegien (Mep), Ie kunden het maor flauw marken dat het aanders worde (Hgv), Het was binnen een kabaal van jewelste, mor eenmaol boeten heurde ie alles nog mor heel flauw (Hijk), Een flauwe bochte (Bov), Ik heb er zo’n flauw vermoeden van (Bui), Ik bun der der flauw van heb er genoeg van (Bco), Ik ben net zo flauw as een kat (Eel), ...as een vis misselijk (Eev), Hij kik flauw oet (Wee), ...uut de ogen flets (Mep), Het locht kan flauw uutstraolen (Wap), Het is een flauwe wiend vandage zwak (Hgv), Wij hebt vanmiddag te vet eten, het flauwe water brak mij op, mor het kan ok van kaolde kommen water dat men vanuit de maag in de mond krijgt (Sle), zie ook hartwater, De handel is vandaog op de maark flauw (And), Om vissen flauw te kriegen, gungen wij in het waoter poltern onmachtig (Anl) 3. troebel Het waoter flauw maoken en de vis wordt flauw (Eel) 4. flauw, kinderachtig Een flauw stellegie (Hijk), Wat is dat een flauwe kerel, der is niks gien aordigheid an (Sle), Ieje mit al oen flauwe kuunsten (Ruw), Wat een flauwe praot (Dro), ...flauw smoesien (Mep), ...flauwe kul (Hgv) 5. vervelend Daj mor zo umdreit zo as een blad an een boom, dat vin ik flauw (And), Doe niet zo flauw (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flauw , flauw , flauw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
flauw , flauw , flaauw , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. onvoldoende zout, gekruid, te weinig pittig, gekruid smakend 2. een flauw, slap gevoel hebbend 3. zwak, niet krachtig 4. niet bepaald geestig, nietszeggend 5. kinderachtig 6. niet scherp gebogen 7. bijna onmachtig, bedwelmd, bewusteloos door zuurstofgebrek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flauw , flùiw , flauw
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
flauw , flèùw , flauw, kinderachtig, slap , Wa bénde gèij toch unne flèùwe vént inne. Wat ben je toch een flauwe vent.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
flauw , flaw , flauw , flawwer, flawst , flauw , ’t Aete is flaw. Flawwe kul: onnozele praat. Waat bès se eine flawwen hals: wat ben je toch onnozel; ook gezegd tegen iemand die zich druk maakt om een kleinigheid.: wat ben je toch onnozel; ook gezegd tegen iemand die zich druk maakt om een kleinigheid.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
flauw , flaaw , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , M flauw; A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 – ;  ze hèbben em bont en blaauw geslaon; flaauw; WBD III.1.1:254 'flauw' = gevoelig zijnde
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut