elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fikken 

fikken , fikken , een kinderspel; één loopt van een muur of hek; ontvangt hij (of: zij) vóór hij weder ter plaatse is, drie tikken (aanrakingen met de hand), dan zit hij, d.i. hij moet op zijne beurt anderen vangen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
fikken , fieken , feugêln; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fikken , fikken , alleen in ’t meervoud gebr. Ak u in de fikken krîge, menneken! Al waj in de fikken krîgt mot kapòt (tot een vernielal gezegd). Vgl. kladden, spiezen, klauwen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
fikken , fikken , fukken , (zwak werkwoord, intransitief) , Daarnaast fukken. Branden, helder opvlammen. || Wat zel dat fikken, as we der nou nog ’en bos strooi op gooien. Het fukt lekker. ‒ Of het woord verwant is met het verouderde werkwoord fikken, dat stoten, steken, slaan, wrijven, beduidt en in vele Germ. dialecten voorkomt (vgl. KIL. op ficken, Mnl. Wdb. bevicken, FRANCK op fikfakken, KOOLMAN op fikken, GRIMM, D. Wdb. op ficken, enz.), is niet zeker. De grondbetekenis van dit woord schijnt te zijn snel heen en weer gaan en dit kan, op een vlam toegepast, zijn overgegaan in fel branden. In het Fri. betekent fykje ook in kleine stukjes snijden (HALBERTSMA 961). Fik zou dus kunnen beduiden spaanders, rap, en werkelijk bestaat een fik uit deze en dergelijke brandbare stoffen. Een hoop brandstof is echter nog geen brand, en dit is de enige betekenis van fik.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fikken , fikke , handen. blef-ter of mit je fikke! Ook in ’t rijmpje: Slaai, stokvis en andijvie, / Blijf met je fikke van me lijfie!
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
fikken , fikken , alleen in het mv. gebr. Ak u in de fikken krîge, menneken! Al waj in de fikken krîgt mot kapòt (tot een vernielal gezegd). Verg. kladden, spîzen, klauwen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
fikken  , fikke , vingers. Mit de fikke draaf blieve, met vingers afblijven.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
fikken , fikkes , vingers Fiêze smerrige vuul fikkes Vieze smerige vuile vingers.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
fikken , fitten , handen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Winschoter bargoens, in: Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank
fikken , fikke , zelfstandig naamwoord meervoud , Vingers, handen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fikken , fikke , fukke , werkwoord , Branden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fikken , flikke , zelfstandig naamwoord meervoud , Handen, vingers. | Bloif er of mit je flikke. Kennelijk is het woord een contaminatie van fleike en fikke.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fikken , fikken , meervoud , ruw woord voor vingers of handen Gao je haanden wassen, ie hebt ja een paar smerige fikken (Nam), Ie zit ok òveral an mit oen fikken (Bro), Daor wil ik mien fikken niet an branden (Coe), Woj een tik over je fikken hebben? Blief is ’n maol van die blooumen aof (Eex), Hol je fikken in hoes! hou je handen thuis (Exl), Dende moej uut de fikken blieven val niet in zijn handen (Bei), A’k je in de fikken kriege!... (Oos), Wat ie mutten? Ie mutten mit oen fikken van mien meid ofblieven (Mep), Hie hef wal wat in de fikken heeft sterke handen (Wee), Die hef ok weer kromme fikken had hij heeft gestolen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fikken , fikken , onbepaald werkwoord , 1. een vuurtje stoken 2. bep. kinderspel, een soort tikkertje (wm, Zuidwest-Drenthe, noord). Eén kind loopt van een muur of hek. Krijgt hij of zij drie tikken alvorens weer op zijn of haar plaats te zijn, dan ‘zit’ hij, d.w.z. dat hij op zijn beurt de anderen moet vangen (wm). Ook: tikkertje waarbij men elkaar nazat en van beurt wisselde als de ander getikt was. Waren er meer dan twee spelers, dan werd bij het tikken de naam geroepen van degene die getikt was (Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fikken , fikkn , vingers. Blief d’r of met de fikkn, iej zoln ’t dink helemaole vernieln.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
fikken , fikkels , vingers , Ge moet nie ooveral meej'jew fikkels ônzitte, nouw zit'ter 'n vûil plak óp die kaort. Je moet niet overal met je vingers aankomen, nu zit er een vieze vlek op die kaart.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
fikken , fikke , vingers , És'se zègge 'blét'ter meej'jew fikken af' is dé nie ze vriendelek beduuld mistal. Als ze zeggen 'blijf er met je vingers vanaf' is dat niet zo vriendelijk bedoeld meestal.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
fikken , fikken , werkwoord , branden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fikken , fikken , meervoud , (ruw) handen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fikken , fik , zelfstandig naamwoord , fikke , fikkie , vinger Blijf t’r met je fikken of!
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
fikken , fikkes , fikken, vingers , Blét ’r af mi oew fikkes! Blijf er af met je fikken! Grove taal.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
fikken , fikke , fikkels, fikkers, fikkes , zelfstandig naamwoord, meervoud , vingers (West-Brabant); fikkels; vingers (Eindhoven en Kempenland); fikkers; vingers (Land van Cuijk); fikkes; vingers (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
fikken , fikken , fikde – gefik , branden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut