elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fijntjes 

fijntjes  , fiennekes , fijntjes.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
fijntjes , fienegies , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidwest-Drenthe) = 1. fijntjes (Zuidwest-Drenthe, zuid) Zij zit fienegies te lachen, zi’j verkneutert heur (Hav) 2. gezegd van scherpe, schrale wind (Zuidwest-Drenthe) We leupen tegen de oostenwiend op, en dat was aordig fienegies (Die) 3. dunnetjes (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij hef het laand fienegies bemest (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fijntjes , fienties , scherp. ’t Is buten fienties kòld ‘het voelt buiten scherp koud aan’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fijntjes , fijnties , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , op fijne wijze, heel netjes
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fijntjes , fienegies , fienties , bijwoord , 1. fijntjes (m.b.t. scherpe, koude wind of scherpe vrieskou) 2. van zeggen, opmerken: op korte, rake maar ook nette wijze
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fijntjes , [fijntjes] , fienkes , fijntjes, langs een omweg , Emes get fienkes vertèlle.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut