elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fietsen 

fietsen  , fiette , hard loopen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
fietsen , fietsen , zwak werkwoord, onovergankelijk , fietsen Wij gaot vannommiddag een èendtien fietsen, gaoj met? (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fietsen , fietsen , werkwoord , 1. fietsen 2. (vooral gezegd m.b.t. honden) de geslachtsdaad verrichten 3. van een pad, weg enz.: geschikt zijn om over te fietsen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fietsen , fietse , zwak werkwoord , Henk van Rijen: fietsen; Henk van Rijen: 'Dè fietst ur in' - dat smaakt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut