elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wispelen

wispelen , fiespele , fluisteren.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
wispelen , fiespelen , werkwoord , 1. op overdreven wijze schoonmaken, poetsen 2. overal met z’n vingers aan zitten, peuteren 3. kieskeurig eten, niet erg opschieten met het eten 4. Priegelig bezig zijn met fijn werk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut