elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: femelen 

femelen , fimelen , futselen, in het geheim of listig bedrijven. Treuselen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
femelen  , femele , fiemmele  , kwezelen, knutselen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
femelen , fiemele , peuteren,prutsen, treuzelen Midd. Ned. fiemelen = hennep pluizen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
femelen , fiemele , fummele , werkwoord , 1. Peuteren, overal met de handen aan zitten. 2. Onrustig heen en weer bewegen. Zegswijze kaarte fiemele, kaarten schudden. Dialectische variant fummele, vgl. Fries fommelje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
femelen , fiemele , mit klein grej prutse.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
femelen , femeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, ov) = 1. flikflooien, mooi praten Die jonge zat wat mit zien opoe te femelen en kreeg van heur een stuk gebak (ov) 2. vroom praten (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hol hum in de gaten, hij kan mooi femelen, zundags veuran in de karke, maar hold hum in de weke buten de deure (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
femelen , fiemeln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. friemelen, niet opschieten, omknoeien Hie leg altied an te fiemeln (Sle), Wat zit ij toch te fiemeln om die knopen dicht te kriegen (Gas), Och, laot hum mar wat fiemeln, dan döt e nog wat aanrommelen (Pdh), Fiemel der nait aal om tou, griep der maor in (Vtm), Die timmerlu fiemelt wat, mar zij doet niet völ (Pdh) 2. friemelen, handtastelijk zijn (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Hie zat aal met dat wicht um te fiemelen (Bor), Oenze knecht hef mij lest in het plaggeveld efiemeld en efoemeld (Hav), Blief van mij of te fiemeln (Oos) 3. flikflooien (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, wb) Wat kun ie mooi fiemeln met Otie (Rol), zie ook bij friemeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
femelen , [treuzelen] , fimelen , met de vingers treuzelwerk doen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
femelen , fiemelen , werkwoord , 1. onhandig tasten, knoeien, peuteren, bezig zijn zonder dat het werk lukt, opschiet 2. met lichte, kleine klusjes bezig zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
femelen , [treuzelen] , fiemele , treuzelen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
femelen , [prutsen] , fiemelen , priegelen, prutsen, ook: langdurig bezig zijn met eten op het bord, voordat je het in je mond stopt.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
femelen , feemele , fiemele , werkwoord , onhandig bezig zijn (Land van Cuijk); fiemele; prutsen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
femelen , [vleien] , femele , fiemele , femeltj, femeldje, gefemeldj, fiemeltj, , vleien , Zeet die twieë dao zitte te fiemele.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut