elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: feestdag 

feestdag  , fiësdaag , Hoeëge fiësdaag, hooge feestdag.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
feestdag , feestdag , de , feestdag Zie hef de feestdag van heur dochter nog metmaakt, een week later is zie störven (Wee), Paosen en Pinkstern bint feestdagen kerkelijke hoogfeesten (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
feestdag , fistdaog , feestdagen , Nô nuuwjaor zègge ze 'we zén blèèj dé de fistdaog wir um zén'. Na nieuwjaar zeggen ze 'we zijn blij dat die feestdagen weer voorbij zijn'.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
feestdag , [feestdag ] , fieësdaag , fieëstdaag , (mannelijk) , 1. een feestelijke dag, feestdag 2. Kerstdagen, Oudjaarsdag en Nieuwjaar , Dao make wae eine fieëstdaag van.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
feestdag , fistag , zelfstandig naamwoord , feestdag; WBD (III.3.2:261) 'feestdag', 'naamdag'; Driekôoninge is ginnen fistag mir; Daor maokeme ne fistag van. -Daar maken we een feestdag van: dat is een goede reden om weinig te werken. Henk van Rijen: 'fisttag'; WBD (III.3.3:208) fistag - feestdag (v.e. heilige)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
feestdag , fieësdaag , fieësdaag , feestdag
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut