elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: falie 

falie , falie , De vrouwen en ook jonge dochters bedienen zich hiervan in de R.C. Kerken en bij begrafenissen. De dragt der faliën is uit Spanje afkomstig en door de
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
falie , falie , (vrouwelijk) , faliën , sluijer, regenkleed; men gebruikt dit woord hier in oneigenlijken zin, en verstaat er door den rug, de huid, van daar zegt men, als iemand geslagen wordt, of dat hem een stortbui overvalt: hij krijgt op zijn falie.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
falie , falie , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Vrouwen-regenmantel; zie VAN DALE en Mnl. Wdb. ‒ Zegsw. Hij het op zijn falie ’ehad, hij krijgt op zijn falie, hij heeft slaag gekregen. Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 26); ook wordt de uitdr. door VAN DALE als gewestelijk opgegeven
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
falie , falî , H(i)ee krig op zîn falî. Een pak slaag.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
falie  , falie , een soort sluier bij rouwdracht. eemes op zien falie gaeve, slaan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
falie , fállie , faolie , v , zwarte mouwloze doek als schouderomslag; falie of rouwsluier; lijf Héj krig op zien faolie Hij kreeg op z’n donder.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
falie , fallie , zwarte sluierdoek die over hoofd en schouders gedragen wordt, gewoonlijk in de rouwtijd.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
falie , follie , zelfstandig naamwoord , falie. 1. Grote zwarte mouwloze doek die door de vrouwen in een begrafenisstoet over het hoofd werd gedragen. Bij zware rouw (een sterfgeval in de eerste graad) werd de follie zes weken gedragen. Nog langer geleden werd de follie ook bij andere gelegenheden gedragen. August Snieders, geboortig van Bladel, schrijft in 1891: “In de kom van ons dorp staat een huis, donker belommerd door prachtige linden. Het schuilt zóo diep in de schaduw weg als mijne oude tante in hare falie, die zij altijd droeg in mijne jeugd wanneer zij ter kerke ging en ik soms geneigd was haar te vragen: “Maar tante, waar zit je toch?” Het huis is nu weg, de linden en de kerk zijn weg, tante met haar follie is weg. En Snieders is ook weg. 2. Ik zal oe is òp oe follie slaon. Ik zal je op je falie geven (een pak slaag).
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
falie , falie , voile, fülke.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
falie , falie , de , 1. lichaam, donder Wij kriegt de falie nat, aw niet opschiet (Ruw), Dei mot wat op zien falie hebben pak slaag (Bco), Hie kreeg een pak op zien falie een flink pak slaag (Sle), Hai het vrouger wel vaok genog wat op zien falie had (Vtm), De jachtopziener hef de streuper gien proces opemaakt, mar hij hef hum wel flink wat op zien falie egeven op zijn donder gegeven (Hav), Hij sleug hum op zien falie (Coe) 2. in Da’s mar falie! het is niet waar (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
falie , fallie , lange zwarte doek, voor in de rouw. ook falie.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
falie , faolie , op z’n faolie krijgen, een pak slaag krijgen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
falie , falie , vel, huid. Op zien falie krîêgen ‘een pak ransel krijgen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
falie , falie , menselijk lichaam. Zie heb ’m flink op de falie ewes.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
falie , fôllie , hoofddoek , Zéd'de in de raauw umdég'ge zóó'n zwarte fôllie um héd of is dé de lèste módde? Ben je in de rouw omdat je zo'n zwarte hoofddoek om hebt of is dat de laatste mode?
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
falie , fônnes , kop , Héij hi óp zun'ne fônnes gekreege thûis, héij hôj't giender ók wél verdimmes begaojd. Hij heeft een uitbrander gekregen thuis, hij had het ginds ook wel flink verpest.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
falie , falie , zelfstandig naamwoord , falies , falietjie , [O] lichaam, lijf Hij heb een pak op z’n falie gehad Hij heeft een pak slaag gehad
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
falie , fôllie , donder (op je….krijgen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
falie , faalie , fállie, faol, fòllie , zelfstandig naamwoord , omslagdoek, rouwsluier (Land van Cuijk); fállie; zwarte rouwsluier (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland); faol; sluier (Eindhoven en Kempenland); fòllie; sluier (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
falie , [nonchalante vrouw] , falie , (vrouwelijk) , falies , 1. nonchalante vrouw 2. Op zien falie kriege: op zijn donder krijgen , Det is ein echte falie, zie trèktj zich nörges get van aan.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
falie , fòllie , zelfstandig naamwoord , fòltje , "hoofd- en schouderdoek, falie; Pierre van Beek: Iemand òn zen fòllie trèkke - iemand ter verantwoording roepen. Kees en Bart - dialoog in Tilburg Post 1922-193? - 'dè ze d'r faolie om doe ten teeken van rouw'; Mandos, Brabantse Spreekwoorden: Iemand òn zen fòllie trèkke (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - hem achter de vodden zitten; N. Daamen - handschrift 1916 - ""falie - zwarte doek die de vrouwen over het hoofd dragen als ze naar de kerk gaan""; Robben gebruikt het woord figuurlijk: Cees Robben – Grauwe follie [de grauwe regenlucht die als een doek over de wereld ligt]; Als attribuut bij het doopsel: Interview Hermans - 1978 - “…dè din ze vruuger onder de fòllie… in mènne tèèd hèk nie, wij hadden al witte dinge veur mar in de vruugere tèèd ginge ze onder de fòllie… din ze dan oover der hoofd… èn maantels…èn de klèène op den èèrem, die laag onder die fòllie, hè, èn zôo ginge ze nòr den dôop!”. (transcriptie Hans Hessels, 2013); WBD (III. 3.3:331) 'voile' = rouwsluier; ook 'vollie' genoemd; WBD (III.1.3:207) 'voile' = sluier aan een dameshoed; 206 'falie' = idem; WBD III.2.2:100 'falie' = rouwsluier aan een hoed; ook 'rouwband'; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – 'follie' - falie z.a. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Men noemt hier eene falie wel doorgaans een regenkleed ... Z.a. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  FALIE (in 't W. 'feulle' uitgespr.) zelfstandig naamwoord v. ongeveer als boven. S.G. falie, blz. 80, 130, 279 (aant. Witters); fòltje; verkleinwoord van 'follie'; kleine sluier; Witt. - 'faaltje' - kleine sluier, voor het gezicht gedragen als men in de rouw was"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut