elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: evangelie 

evangelie , evangelie , in: ’t is altemoal gijn evangelie wat hij zegt = men kan niet altijd onvoorwaardelijk geloof aan zijne woorden hechten, omdat hij zich weleens vergist of overdrijft; Friesch: Dat is lang gyn ewangeelje (is niet betrouwbaar). mien woord is mien evangelie = wat ik eenmaal gezegd of beloofd heb daar blijf ik bij. Ook hoort men: mien woord is mien zegel, maar dan betreft het alleen eene belofte. – Oostfriesch sîn wôrd is ôk gên evangelium; ’t sünt al gên evangeliums wat de papen zeggen. Nedersaksisch idt sunt nig luter evangiljen. Vgl. Laurill. p. 68; Zeeman p. 196.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
evangelie  , evangelie , Et is nog lang gein evangelie, dat is nog zoo zeker niet
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
evangelie , iäävengiölli , [ĭǣvenĭœli] , onzijdig , evangelie
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
evangelie , evangelie , het , evangelies , 1. evangelie Der bunt vier evangelies (Bco), De pastoor leest meisttied het evangelie veur deel uit het nieuwe testament (Bov) 2. waarheid, zoals het hoort Het is ook almaole gien evengelie, wat die vertelt niet allemaal waar (Rui), Dat moej niet allemaole veur evangelie annemen (Die), Het liekt daor bai de buren altied mooi, maor ‘t is daor ok altied gien evangelie er is ook wel eens ruzie (Pei) 3. verhaal Dat is ok een heel evangelie lang verhaal (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
evangelie , evangellie , evangelie. da’s een aorig evangellie, dat is een vreemd verhaal.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
evangelie , ivegillie , evangelie , De pestóór hôj meej pallemezóndag toch 'n lang ivegillie én dé's èllek jaor 't zélfde. De pastoor had met palmzondag toch een lang evangelie en dat is elk jaar hetzelfde.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
evangelie , ivvegillie , evangelie
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
evangelie , ivangillie , evangelie
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
evangelie , evangelie , (onzijdig) , evangelie , Det is nog lang gein evangelie: dat is nog lang niet zeker.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
evangelie , eevangeelie , zelfstandig naamwoord , evangelie; Mandos, Brabantse Spreekwoorden: aawwèèveneevangeelies (D'16)- oudewijvenevangelies: verhalen uit de oude tijd; bakerpraatjes; Frans Verbunt: êene van et lang eevangeelie - langdradig iemand
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut