elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eraf

eraf , draaf , er af.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
eraf , derof , bijwoord , er af, ook uitroep tegen schapen As de schaopen weer kwamen mit de schèuper, dan mussen ze weer naor heur eigen hokke. En dan zei een van de kiender: derof, derof, derof en dan gungen ze naor heur eigen kooie (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
eraf , er af , hij isr af, hij is de kluts kwijt.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
eraf , eraf , 1. eraf; 2. in eraf zén in de war zijn
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut