elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: engel 

engel , engels , voor: engelen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
engel , engel , (mannelijk) , engle , engel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
engel  , ingel , ingele , ingelke , engel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
engel , engl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , engln , englken , engel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
Engel , Engel , in de combinatie Gouden Engel, traditioneel (Sinterklaas)feest te Koedijk dat op oudejaarsdag werd gevierd en dat herinnert aan de tijd dat de Koedijker vissers pas na de kerstdagen thuis kwamen. De Gouden Engel zou de bijnaam geweest zijn van graaf Jan de Eerste die in 1297 Vrone verwoestte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
engel , engel , de , engeln, engels , 1. engel Dei speult mit de engelkes gezegd, als kind in de slaap lacht (Bco), Wat lekker, het is net of mij een engel over de tonge pist (Dwi), Het is net, of je een engel over het hart pist het is een gevoelskwestie (Oos) 2. lief persoon Wat een engel van een kiend (Hol), ...van een wicht (Ros) *Een dronken wief is een engel in bedde (Geb); Engelie hung / Roegerie gung / Engelie vul op roegeries pad / Roegerie engelie op at opl. varken vreet eikel (Bal), zie ook hanger
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
engel , engel , D’n Engel des Heren; als de kerkklokken om 12 uur ’s middags dit gebed luiden, staakt men even het werk om te bidden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
engel , engel , engel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
engel , ingel , zelfstandig naamwoord , de; var. van engel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
engel , ingel , (mannelijk) , ingele , ingelke , engel , De geitezaal hètj ‘d’n Ingel’ en liktj inne buurt ‘d’n Hemel’. ’t Is of dich ein ingelke oppe tóng pistj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
engel , èngel , zelfstandig naamwoord , Lekker. Iedere keer as ik 'nen hap naam kreeg ik 'n gevuul of er 'n engeltje mee 'nen fluweelen sok over m'n hart aaide. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30); Van Beek - Hem heeft een goede engel gediend. - d.w.z. per toeval is hem een geluk te beurt gevallen; of: Onverwacht is iets goed afgelopen buiten eigen toedoen. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959); GG en zat wèèf is nen èngel in bèd - alcohol maakt de remmen los; Buuk Dè smòkt òf er en èngeltje oover oew tong (hartje) piest = heel lekker
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
engel , ingel , ingelke – ingelkes , engel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut