elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: elk 

elk , ielk , elk, ieder. Het wordt zoo wel bij verbastering van elk als zamengetrokken van iegelijk gehoord.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
elk , elk en een , elk, iedereen; Gron. elk-en-ijn.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
elk , elks , ieder, elk, elke; van elks twei = van elke (dier soort) twee stuks; zij hebben van elks ijn = een jongen en een meisje; elks noa dounde = naar verhouding van ieders krachten, waarde, prijs, enz. (ook Drentsch); wie eten elks afzunderliek = elks appart = nijt deur ’n kander = niet dooreengemengd; ie mouten van elks wat kriegen (klemtoon op: wat); elks allen = ieder afzonderlijk, elk op zich zelven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
elk , elks , Elk. Géf elks ’t zînde. Aj ’n groot hü̂shòlden en weinig verdînsten heb, is ’t ’n tûr elks ’t zînde te géven, d.i. niet in schulden te raken, eerlijk man te blijven. Vgl. misschîns.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
elk , elk , (onbepaald voornaamwoord) , Zie de wdbb. ‒ Van elks, van elk. || Ie (hij) had van elks maar ien nodig. Sch. t. W. 276.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
elk , elk , zie gijn *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
elk , elks* , zie ook noa *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
elk , elks , Elk. Géf elks ’t zînde. Aj ’n groot hü̂shòlden en weinig ve(r)dînsten heb, is ’t ’n tur elks ’t zinde te géven, d.i. niet in schulden te raken, eerlijk man te blijven. Verg. misschîns.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
elk  , ellek , elk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
elk , ielek , elk
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
elk , elk , onbepaald voornaamwoord , ieder Ie kunt niet elk zien zin geven (Ros), Der komp in elk geval eine (Erf), Elk huus hef zien kruus (Nam), Ze hebt het weer bont emaakt; elk en iene prot er over (Noo), Die jongen kunt elk uur van de dag wal eten (Hijk), Elk uur lop er een bus hen Assen (Bor), Dou hum man van elks eine mit van ieder soort één (Bco), Ik heb twee kalver bij ien koe, van elks iene (Man)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
elk , ielk , elk.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
elk , elk , elk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
elk , elks , elk. Wie kreegn elks iene van de krentebreuchies.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
elk , èlleke , elke , Verleeje wèèk begós't èlleke kiir te rèègene és we wón gôn fietse meej't hûshaauwe. Vorige week begon het elke keer te regenen als we wilden gaan fietsen met het gezin.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
elk , ieleke , iedereen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
elk , elks , (onbepaald voornaamwoord) , ieder. Elks iene.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
elk , elleke , elke, iedere , elleken dag is’r jinne = elke dag is er een-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
elk , èlke , voornaamwoord , elke; Dirk Boutkan: (blz. 62) De vorm 'èlke' kan een 'n' krijgen, alleen in m.sing.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
elk , ielk , ielek , onbepaald voornaamwoord , elk, ieder; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - IELK, voor een ieder, hetzij bij verbastering van 'elk' of bij zamentrekking van 'iegelijk', waarvan ook 'elk' misschien zamengetrokken is; Kees en Bart (krantenrubriek ca. 1930):  'in ielk geval' (bis); 'ielken Zondag'; 'ieleke keer'; 'op ielk gebied'; ielken stap... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: ‘Ons volk’,  1932); Dan krege ze ielk in [een] pèr [peer] die gestoofd was. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Cees Robben – de blaoier vallen vruug van ielek bömke... (19570704); C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978):  IELK onb.vn (ouderwets) iedereen, elk; uit (een)iegelijk?; De Bont: :  'ielk' - elk; 'ielken dag'; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch 1899: ;  IELK (uitspr.: iellek) - ieder, elk, Fr. chaque, chacun; Bosch ielkendeen - iedereen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
elk , ilk , elk
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut