elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: einde 

einde , end , "voor afstand. Zoo zegt men hier algemeen: Bergeijk ligt een heel eind uit melkaar; die mensch woont maar een klein end achter de kerk, ik ben met mij
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
einde , end , en’, endien, ende, einde , 1. eind weegs, aanzienlijke afstand, als die nl. te voet moet afgelegd worden; da’s ’n ende weg = hier ver van daan; ’n en’ hen brengen = een eind weegs vergezellen; dat en’ was te wied = die afstand was te ver; endien, entien = korte afstand. Gron. en’, ende, en: endje. Dit end, en’, is uit en’ = einde (zie ald.) ontstaan. 2. einde; op ’t aander en’; westeren’ = westeinde; ook Gron. westèn, dunèn. Zegsw. ’t ende is ’r van weg = ’t is buitengewoon, in hooge, of: in groote mate. Gron.: de enden (ook: de enden en ooren bin d’r van weg = ’t loopt tot in ’t oneindige, ook = het loopt de spuigaten uit, ’t is zoo erg mogelijk. Ook voor: einde (zie ald.): daor die wul van an ’t en’ komen kan = – wel van kan leven tot zijn dood. Oostfr. ende, enne, enn’, end’ = punt of plaats in de ruimte of in den tijd, waar iets ophoudt. OHD. anti, andi, enti. ente, ende; MHD. ente, ende; Goth. andeis; AS. endȯ, OSaks. endi, ONoorsch endi, Zw. ändi, ända, Deensch ende = grens, rand, uiterste punt, einde. Zie ook: en’. 3. in ’t ende = overeind, rechtop staan gaan, van den stoel op staan. 4. voor: levenseinde. Zegsw.: iemand an ’t einde brengen = levenslang onderhouden tegen de overdracht van zijn goed of betaling eener geldsom. Dit was van ouds in Drente bij de landlieden zeer gebruikelijk, en werd overgang genoemd. Zie Landr. v. Dr. (1712) III, 57, 58. De overgang was oudtijds ook in Groningen zeer in zwang en in de oude Landrechten bekend onder de namen oevelganch en evelgangck. Wiarda i.v. oevel, en Laurm. p. Het contract met een geestelijk of liefdadig gesticht heette prove, vandaar: proveniershuis.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
einde , énde , (onzijdig) , eind.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
einde , ende , (onzijdig) , eind.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
einde , ende , end, enne, èn , (= einde, eind), waarin de d in ’t Westerkwartier en op ’t Hoogeland zoo goed als niet gehoord wordt, en end daar dus luidt als èn, of enne, ook in de Veenkoloniën en Drentsch; hij ken nijt van ’t ende komen = hij stelt al uit om een begin te maken; hij is een draler. Wellicht aan paarden ontleend die niet willen afrijden. – wat bie ’t ende hebben = zich met het een of ander vermaken of onledig houden; gekheid bie ’t enne hebben = zich met gekscheren, grappen, enz. vermaken; van ende tot wende = van ’t begin tot het einde, en aan den landbouw ontleend, (zie: wenakker); ook Overijselsch; Oostfriesch van en’ to wen. – ende, enz. voor: afstand; ’t is ’n hijl end hen = ’t is ver van hier; hij mout nog ’n hijl end loopen = nog eene groote wandeling of voetreis doen, om bv. thuis te zijn. Wanneer men zich op een lijnrechten weg bevindt, waarvan men het einde niet kan zien, bv. te Stads-Kanaal, dan zegt men: da’s ’n end zunder end, zooveel als: die weg is verbazend lang en eentonig; ook zegt men het van een buitengewoon lang persoon. (Hieruit blijkt dat men de beteekenis van: iets wat aanzienlijke lengte heeft onderscheidt van: het einde van iets). Hiervan: endje = klein end; ’t is moar ’n endje = ’t is maar een korte afstand. Ook = deel, gedeelte, Oostfriesch endje = stukje; Nedersaksisch endken = een kort stuk; ende dijk (Prov. Gron. Cour. 1820, 12 December); ’n end weg = gedeelte van een’ weg; hijle enden (van den weg) bin sporig; hijle enden (van eene ijsbaan) liggen open; ’n endje piep = kort pijpje; ’n endje worst = stukje van een worst; ’n endje plank, lat, ’n endjetou, lint, enz.; hij brengt ’n hijl end hen (ook: ’n hijl stuk hen) = ’t is mogelijk dat hij zijn doel bereikt, bv. overwinnaar wordt bij een wedstrijd; ’t scheelt ’n end (= ’t scheelt ’n stuk) = ’t verschil is groot. Zegswijs: de enden, ook: de enden en ooren binnen d’r van weg = ’t loopt tot in ’t oneindige, en ook: ’t loopt de spuigaten uit, ’t is zoo erg mogelijk, (het Nederlandsch gemeenzaam: ’t end is er van weg); West-Vlaamsch: de end is er aan verloren. (De Bo). men wijt nijt woar enden of ooren an vast zitten = men kan er geen hoogte van krijgen, de zaak is te duister, te verward of te ingewikkeld; alle dingen hebben ’n end moar ’n worst het twei, zooveel als schertsen met den troost dat aan alle lijden een eind komt. Oostfriesch: elks ding had ’n enne; man ’n wurst hed twe; ’t middelste is boas over baide enden, zegt men van een hysterisch meisje, eigenlijk zooveel als: zij redeneert niet tegen den hartstocht en ontloopt het gevaar niet. – Ook = penis. (v. Dale: einde, eind, end = het laatste van iets.)
in (of: ien) ’t èn = overeind; hij gōng in ’t èn stoan = hij ging rechtop staan; zij kwam in ’t èn = zij stond van haren stoel op; zij bin ’s mörns al vroug in ’t ende (of: èn) = zij staan altijd vroeg op: “doar lag hij te spinnevoutjen, de bijnen baide in ’t ende”; “den sprong olle juffrauw recht ien ’t en.” “’t Haor ston hom as vlammen ien ’t èn.”“Hij sprong ien ’t en har zien groote moel al wiedwoagen open;” de boel in ’t ende zetten (= in hokken zetten) = – als in opstand brengen door een luidruchtig vermaak; ook voor zulk een vermaak zelf. Oostfriesch in ’t ende = in onrust, in opstand. Vgl. het Nederlandsch: ’t heele huis overeind zetten; zie ook: ende, en Laurill. p. 89.
in ʼt èn (in ’t einde), in ʼt enne, in ʼt ende, ien ʼt èn = op de been; de hijle buurt kwam in ʼt èn. Ook = eindelijk, ten laatste; in ʼt èn kwam dʼr ʼn schink op schuddel; hij wōr in ʼt ende zoo dom as ʼn kakstoul.
en gijn èn! (of: en gijn ende!) als stoplap achter een uitroep, bv.: wat drōmmel en gijn èn! wat zōl dei kerel wel mijnen!
brijdste end = grootste deel. Vgl. brijd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
einde , ende , (onzijdig) , Eind. Van iemand, die graag alles alleen wil hebben, zegt men: H(i)ee is n(i)eet begeerig, maor h(i)ee hef graag ’t middelste met de beide enden. Bî ’t ende hebben – bij de hand hebben. Wat hei nu weer bî ’t ende? Waar ben je nu weer aan bezig? Tóne is gîn timmerman meer; h(i)hef nu wat anders bî ’t ende. Î mot ook altît zoo wat bî ’t ende hebben – (klem op wat). Ge moet ook altijd dingen doen, die ge liever moest nalaten.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
einde , end , einde , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Verkl. endje. ‒ 1) Einde. ‒ Zegsw. Daar is het end van weg, ’t is raar, onbegrijpelijk en betekent ook: dat houdt nooit op. Evenzo elders gebruikelijk. ‒ Zie verder op slot en end op slot, en vgl. de samenst. weversend, winterend, woon-end, zomerend. ‒ ’t Is het end uit, het is allervoortreffelijkst, best, heerlijk, er ontbreekt niets aan. ‒ In den ende zijn, ten einde raad zijn, in de nartel zitten. || Hij is toch zo in de ende, hij weet niet wat hij er an doen moet. ‒ Hij heb ’et end in de bek (van een paard bij een harddraverij), hij is over zijn asem, hij hijgt en kan niet meer van vermoeidheid. Overdr. ook van mensen, die doodaf, doodvermoeid zijn. Evenzo in het Fri. ‒ t’Ende bot zijn, zie op bot I. ‒ Zie nog een zegsw. op boter, en vgl. keuvelend, vlietsend. 2) Gedeelte, stuk. ‒ Een endje nemen, een gedeelte van iets aanvatten; b.v. om het op te tillen. || Kom, neem ok ers ’en endje van die kast. ‒ Een endje koek (een stuk koek). Een endje brood (een homp brood). 3) In het bijzonder een deel van het huis, kamer. De werklieden, wier woning uit een hoofdvertrek met een washok of keukentje bestaat, onderscheiden deze als voor- en achterendje, voor- en achtervertrek. Het eerste heet ook wel het best-end. Bij grotere huizen heeft men ook een achterend, doch dit is dan de staart achter de keuken, waar zich het washok en vatenbank bevindt. Evenzo spreekt men ook van het wester-, ooster-, noorder-end (of -endje) van een huis. ‒ Vader is zeker in ’et osterendje. ‒ Vgl achterend, bakendje, voorend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
einde , ende* , end, en* , zie ook bldz. 198 I 21 v. o.; met “in ’t ende zetten” te vergel. Nederlandsch (gemeenzaam): ’t heele huis overeind zetten; “’t end is er van weg” bij v. Dale aan ’t slot van “omkomen” [1]; end in hij wijt mit zien tied gijn end = hij weet met zijn tijd geen raad, hij verveelt zich, vergel. weg ; en* zie ook kerel * [bl. 532]; als uitroep ook elders; endje* wat wou zoo’n eindje mensch! ook Nederlandsch.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
einde , end , eind. - Bid voor den man die aan zijn end komt! (Wanneer een man of jongen staat te wateren).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
einde , ende , (onzijdig) , enden , Eind. Van iemand, die graag alles alleen wil hebben, zegt men: H(i)ee is n(i)eet beg(i)eerig, maor h(i)ee hef graag ’t middelste met de beide enden. Wat drommel en gîn ende! Gaot zitten en gîn ende! Uitroepen van verwondering. Van ende tüt wende. Van het eene eind naar het andere. Bî ’t ende hebben – bij de hand hebben. Wat hei nu w(i)eer bî ’t ende? Waar ben je nu weer aan bezig? Tóne is gîn timmerman m(i)eer; h(i)ee hef nu wat anders bî ’t ende. Ȋ mot ook altîd zoo wat bî ’t ende hebben – (klem op wat). Ge moet ook altijd dingen doen, die ge liever moest nalaten.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
einde  , ind , inje , eind, Ein ind draan make, een einde er aan maken. Op et indje, op het laatst.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
einde , eande , einde. Oosteande, Westeande. Eimaond än zien eande helpen. Ait wat bi ’n eande hebben.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
einde , eind , aan enden halen, aan flarden trekken. “Hè wat een kerels! Je zou zulke lui an enden halen!”
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
einde , eane , zelfstandig naamwoord, mannelijk , eannken , einde. Wat biej n eane hebm, ergens mee bezig zijn; dat kuemp op eenn eane oet, dat komt op ’t zelfde neer; aejt wat biej n eane hebm, altijd streken uithalen; t eannken too, de blinde darm;…en gin eane, … nog aan toe; <
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
einde , énd , o , lang stuk weg, ver of een lange mens Wá ’n énd; stuk ’n énd hout Een stuk hout; lang énd een lang persoon.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
einde , énd , eînd , o , Iemand doen of laten sterven Iemes án zien énd brénge (begeleiden); Iemes án zien eînd brénge. Iemand tot aan de dood toe verzorgen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
einde , end , zelfstandig naamwoord ’t , Eind(e), stuk. | We hewwe ’t end nag niet. Geef moin maar ’n end appel. We hewwe ’n heêl end fietst. Zegswijze ’t end in (uit) de bek hewwe. 1. bekaf zijn. 2. er (financieel) slecht aan toe zijn. Vgl. Fries it ein yn ’e bek hawwe. De zegswijze duidt letterlijk op een dier (bv. een paard of een (trek)hond) dat ten gevolge van grote inspanning de tong zo ver uit de bek heeft dat het einde van de tong zichtbaar is. – D’r gien end meer in wete, de zaak niet meer kunnen overzien. – Niet wete wát end vóór moet, niet weten hoe men dient te handelen. – Ze skeure allegaâr an ’n end, ze doen allemaal tegelijk en fanatiek hun best om iets te bemachtigen. – ’n Heêl end heen. 1. ver weg. | Hai weunt ’n heêl end heen. 2. grotendeels | ’t Werk zel murgen ’n heêl end heen klaar komme. 3. bijna, er niet ver van af. | Hai zal ’n heêl end heen zestig weze. – Op ’n end, uiteindelijk, tenslotte, per slot van rekening. | Ik was er op ’n end dik mee an. – Eer ’ t spul ’n end het, eer alles klaar of achter de rug is. – ’t End is niet te overzien, de gevolgen zijn niet te overzien. – ’t End is er van zoek (zocht), het is heel erg, de gevolgen zijn niet te overzien. Verkleinvorm endje. Eindje, stukje | Mag ik ok ’n eindje keis. Skik es ’n endje op. Zegswijze ’n endje neme, een gedeelte van iets aanvatten en helpen tillen of versjouwen. | Neem effies ’n endje van deuze kas(t).. Meervoud ende. Einden, stukken. Zegswijze an ende, in stukken. | Hai skeurde alles an ende. – Ende make, de zaak afhandelen, tot een besluit komen. – Op gien ende nei, op geen stukken na.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
einde , ènd , zelfstandig naamwoord , einde. ’n End hout is ’n stuk hout. Iemes on z’n ènd brènge. Iemand tot aan z’n dood onderhouden of verzorgen. Daor is ’t ènd van verloore. Er komt geen eind aan.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
einde , ende , 1. eind. 2. heel eind, heel stuk.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
einde , èènde , ène , eind, einde; * alles hef ’n èènde en een wos zelfs twee; hi beurt de boom altied bie ’t zwoarste èènde: hij ziet het altijd somber in; den wul altied het mulnste met beide èènden: die wil altijd het onderste uit de kan.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
einde , èende , ende, èend, einde, èen, en, èenden , èendes, èenden , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook ende (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), èend (Midden-Drenthe), einde (Midden-Drenthe), en, èen (Kop van Drenthe), èenden (Kop van Drenthe) = 1. einde Hij woont op ’t ende van de laon (Row), Het ende is nog niet in zicht (Die), Dat is het ende van de kemedie (Dwi), Nog zes vellegies en wij hebt het èenden zijn er klaar mee (Eev), Toen wai de twenter veur de waogen deden, vloog e in ’t èende omhoog (Pei), Hie stuuk de vinger in ’t èende omhoog (Sle), Wat hebt die grote lu toch aaltied een kunsten bij het èende wat hebben die toch een fratsen (bl), Hie woont een èendtien hen ver weg (Sle), Een goeie eerappel, ’n stokkie in de linkerhaand of een krom endtie... stuk worst (Hgv), Wat duvel en gien einde, wat hej non toch oetvreten! (Hijk), Die laamp mot wieder in ’t èende omhoog (Bal), Hij was zo min, wij mussen hum in ’t èende helpen overeind (Bor), Hij was an ’t ende ten einde raad (Row), zo ook Ik was mit de raod op het èende (Coe), Dei zaak lop op ’t èende (Bco), Hie kun niet meer, hie was hilmaol an het èende uitgeput (Eex), Hij hef aaid wat bij ’t ende is altijd ergens mee bezig (Sti), Hij hef het haost altied bij het rechte ende bijna altijd gelijk (Mep), Wat hij daor vertelt, door zit gien begun en gien èende an (Bco), Dat Drents woordenbouk, daor komp gien ende weer an is een onderneming zonder eind (Row), Daor is ’t ende van weg het is veel, er komt geen eind aan (Rod), maar Daor is het èende van weg dat was geweldig! (Klv), Van ’t èende of Van èenden tot de oren zat e der under van top tot teen onder de modder (Sle), Hie trök an het körtste èende (Pdh), Hij mus de èendties an mekaer knuppen (Dwi), Hij holdt zien eindtien vaste houdt voet bij stuk (Bei), Hie zal zien èendtien wal vastholden zorgen dat hij zijn deel krijgt (Sle), Het èende van het laid was dat e stun te brullen het eindigde ermee (Eco), Wat is die man toch een lang èende lange kerel (Gie), Die wil alles hebben, de midden en de beide enden (Hol) 2. levenseinde Dat lop op het èende (Bco), Hij is lillijk an zien èende kommen (Pdh), Zien èende is er (Sle), Zij hebt hum an het èende brocht tot het overlijden onderhouden (Bov) 3. endeldarm (Zuidwest-Drenthe) Hie hef ’t mit het ende (Dwi) 4. grote hoeveelheid (Veenkoloniën) Wordst der gek bie, daor most zo’n èende geduld bie hebben (Vtm) *Eind goed, al goed (Bro); An alle lofzang komp een ende (Hol); Het ende zal de last wel dragen (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
einde , [vee(dieren)] , eint , engt , stuks vee: dezen boer hè tien einder, deze boer heeft tien stuks vee.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
einde , eint , engt, end , einde. mv. einder. zij hetm aon z’n eint gebrocht, zij heeft hem tot aan zijn dood verzorgd. iemand aon z’n end brengen, verzorgen tot aan de dood.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
einde , tèn , het einde.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
einde , ende , èènde , (Kampen) einde. Ook: èènde (Kampereiland, Kamperveen). Döör is ’t ende van weg ‘dat is ongehoord’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
einde , ende , entien , eind. ’t Is ’n heel ende naor Maastrich.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
einde , énd , eind , Nouw zéij ik ‘n énd óp scheut, nouw is bekant af. Nu ben ik een eind op weg, nu is het bijna klaar. Nu is het op een haar na gebeurd.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
einde , aende , ende, eind , zelfstandig naamwoord , et 1. eind, uiteinde 2. achterste, aars 3. lang stuk touw, drop enz. 4. afstand, stuk dat men kan gaan 5. slot, afloop 6. toestand van afgeleefd of afgebruikt zijn 7. eindresultaat 8. slotdeel 9. levenseinde
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
einde , van end-tot-end , bijwoord , van het begin tot het einde ’t Dekzaail was van end tot end ingescheurd
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
einde , end , zelfstandig naamwoord , endes , endjie , [O] 1. einde Het endjie zel de last wel draege Bij de afrekening zal het wel blijken Een end zonder end Dat houdt maor niet op Ze wouwe nie van ’t end Ze wilden niet beginnen Een raor endjie mens Een raar figuur Zie ook tende, tendenan 2. endeldarm van een koe 3. stuk, gedeelte 4. afstand ’t Is maor een klaain eñdjie lôôpe ’t Is maar een kleine afstand lopen ’t Zijn hêêle endes om te lôôpe Het zijn behoorlijke afstanden om te lopen; Een end zonder end Een lang persoon Die jonge is een end zonder end, dat worre kinders teegewoordeg allemel; dat zittem in ’t goeie eete Die jongen is erg lang, dat worden kinderen tegenwoordig allemaal; dat zit hem in het goede eten; Hij kom nogal moeilek van ’t end Hij kan moeilijk een begin maken; Van end tot end Van het begin tot het eind; We beginne maor van ’t end of an We beginnen maar bij het begin; We beginne maor van êên end of an We beginnen maar ergens; endes 1. einden, lengten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
einde , hiejel ènd , einde (afstand)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
einde , tèène , ut èènd , einde (aan het)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
einde , ende , (zelfstandig naamwoord) , 1. eind; 2. stuk. Slager, doe mi’j maer een ende wörst.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
einde , ènd , èndje , einde , Dur kumt gin ènd èn. Daar komt geen einde aan., Èndjes èn mekaâr kneupe. De eindjes aan elkaar knopen., Èn ’t kortste èndje trékke. Aan het kortste eindje trekken.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
einde , tèène , aan het einde (van), doodmoe , Nard wònt tèène de strôt. Nard woont aan het einde van de straat. Ik bén tèène. Ik ben doodmoe.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
einde , èènd , eind(e)
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
einde , ènd , eind
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
einde , ende , iets bi-j het ende (h)ebben, ergens mee bezig zijn (Hattem).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
einde , end , enkt , zelfstandig naamwoord , einde (Land van Cuijk); enkt; einde (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
einde , tèène , tenne , bijwoord , aan het einde (Helmond en Peelland; Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); tenne; aan het einde (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
einde , inj , (onzijdig) , indje , eind , Aan alles kumtj ein inj. Dao kumtj niks van in! Doe mós neet allein langs kómme, mer ouch aankómme. Es vader laat heives kumtj, hooftj d’r niks te zègke: werd gezegd van iemand die op stap was geweest en heel laat thuiskwam. Kómme wie gerope. Kómme ze, den kómme ze neet; kómme ze neet, den kómme ze: komen de mussen, dan komen de erwten niet uit, komen de mussen niet, dan komen de erwten wel uit. ’t Kumtj zich neet op einen daag: het komt niet op één dag aan. Örges neet op kómme: zich iets niet kunnen herinneren. Waat neet is, kan nog kómme.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Einde , [toponiem] , Inj , Eind , Ich woean op ’t Inj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
einde , ènd , zelfstandig naamwoord , èndje , WBD III.2.2:52 'einde' = dood;
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
einde , ènd , zelfstandig naamwoord , "eind, afstand; langwerpig stuk; We gòn en èndje waandele. Alles hier op de wèreld hee toch een end, behalve sesiesworst zô ""de Tuter"" zeggen, want die hee-t-er twee. Jè, wè zulde daor op afdingen!... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929); Cees Robben:  èn zôo begient et ènd van dees wèèreld; en lieke zónder ènd; A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 – ;  Hij wó mèn meej en ènd hout slaon. Henk van Rijen: en èndje moeder Gods - stok voor een aframmeling; Henk van Rijen: stuuper mèn is en èndje - geef me eens een zetje; WBD III.3.1:399 'dood end' = doodlopende weg; WBD III.4.4:131 'end’ = poosje; 196 'end' = uitgestrektheid; Cornelis Verhoeven:  Eind ... 2. (van iets langs gezegd, bv. worst of hout) stuk: 'n ènd hout. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  END zelfstandig naamwoord o. , vrklw. endje(n), endeke(n). - eind, einde; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – ènd - einde; 'n ènd hout - een stuk hout; • "
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
einde , end , eind
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut