elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: egaal 

egaal , partei ijngoal , petei ijngoal, petij ijngoal , gelijk, gemeenzaam onderling; zij moakt zôk (of: heur) mit de maid veul te veul partei ijngoal; hij ’s mit elk partei ijngoal, (of: aingoal) Zie: ijngoal.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
egaal , ijngoal , aingoal, aigoal, eengaal , in geschrifte eengaal = effen, slecht, gelijk, egaal; ijngoal moaken = (wegen) slechten; dei vrucht stait ijngoal = die planten zijn nagenoeg allen even groot en staan even ver van elkander; hij ’s ijngoal mit ons = hij stelt zich niet boven ons, hij doet met ons mee; zij ’s mit elk partei ijngoal = zij maakt zich met hare minderen te gemeenzaam, weet haren stand niet op te houden. – Ook: even groot van stuk, bv. van eene partij aardappelen; Limburgsch ingael = gelijk, Oostfriesch eengaal = gelijkmatig. – En voor: eenvoudig, zonder erg, sulachtig; hij ’s moar wat ijngoal oetvallen. Ook voor: gelijk, zonder onderscheid, en zoodoende = onverschillig: “den is ’t ja glad aigoal of hai dokter is of nait.” Vgl. slicht.
aingoal, zich steeds gelijkblijvend, onverstoorbaar kalm (Marne).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
egaal , ingaal , Egaal, van gelijke grootte. Mîntjen, î mot vör vanmiddag wat ingale eerappels ü̂̂tzö̂ken. Gron. ijngaal.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
egaal , eengaal , zie ijngoal *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
egaal , eengaal , eegaal. Dĕ bookweite steet mooi eengaal.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
egaal , eengaal , ingaal , Die ingaal rooie (pieren), V. en Vl. 255.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
egaal , ingaal , Egaal, van gelijke grootte. Mîntjen, î mot vö̂r van middag wat ingale (i)eerappels ü̂tzö̂ken. Gron. ijngaal.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
egaal  , egalig , egaal.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
egaal , eegaal , bijwoord , gelijkmatig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
egaal , gans égaol , gánzégaol , om het even Dè’s me gans égaol! Dat is me om het even!; ’t is gánzégaol het is om het even.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
egaal , egaol , om het even Dè’s me krek egaol Dat is me om het even.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
egaal , aingoal , 1. onophoudelijk. 2. effen, egaal
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
egaal , iengaal , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Variant van egaal. Zegswijze ’n iengale regen, een gestadige regen. – ’n Iengale (regen)lucht, een egale, effen (regen)lucht. – Iengaal vloeke, hevig, aan één stuk door vloeken, tierend tekeer gaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
egaal , iengaal , iengael , aan één stuk door.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
egaal , egaal , iegaol, egaol, iengaol, eingaol, aingaol , (Zuid-Drenthe). Ook iegaol (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe), egaol (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), iengaol (Zuidoost-Drents zandgebied), eingaol (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), aingaol (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = 1. vlak, effen Het is een mooi egaol stuk laand (Row) 2. langzamerhand (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij hadden er gien arg in, maor het was egaal donkerder worden (Noo), Die lekkerij, die wordt egaal, ...egaol slimmer (Sle) 3. gelijkmatig De lucht is aordig egaol. As het begunt te regen, zal het veurlopig ok wel niet weer opholden (And), Een egale kleur (Coe), Het wordt een egale regen (Geb), Kiek is daor, dat is een egaal gewas (Hgv), De eerpels bint eingaal op ekomen (Eli), Hie hef aaid zien egale gang nl. met lopen of fietsen (Sle), De eier bint allemaole mooi egaol (Die), De rogge stiet er mooi iengaol op (Bui), Trek wat iegaol en niet zo horterig 4. altijd, geregeld De bouwmannegies loopt iegaol achter de boer an, as e ant bouwen is (Emm), Hie warkt iegaal deur (Oos), Hai maokt aingaol dezulfde fouten (Eco), Hij zit eingaol te zeuren (Bov), Hij komp egaol bij de buren (Een), Opoe zit aingaol mit dat kind te hossebossen (Vtm), Die kraante is wel duur, mar wij zegt hum niet op, want die koj iengaal niet missen (Koe), Ik heb hum iegaol in ’t wark, en zal hum niet graag schieten laoten helemaal (Emm) 5. onverschillig Het is mie heilemaol eingaol, waj dout (Bco), ’t Is mij gans iengaol, ow gaot of niet (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
egaal , îêngääl , (Gunninks woordenlijst van 1908) effen, gelijkmatig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
egaal , iegael , 1. egaal, gelijkmatig, voortdurend (beweging). Ie muttn iegael met de zich deur de rogge. 2. egaal, gelijkmatig oppervlak. Aj iegael schoert krieg ie mooi schilderwârk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
egaal , egaol , elegaol, ingaol , bijvoeglijk naamwoord , egaal, gelijkmatig, horizontaal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
egaal , êêñgaol , bijvoeglijk naamwoord , [O] egaal, gelijkmatig, effen ’n Eêñgaole regenlucht Een egale regenlucht
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
egaal , egaol , eengaol, eengaal , 1. egaal, gelijk; 2. gelijkmatig; 3. geregeld, onophoudelijk (Oldebroek, Wezep).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
egaal , [onverschillig] , eengaal , kaatjen eengaal, onverschillig, lood om oud ijzer (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
egaal , egaal , egaal, om het even, vlak, zie ook egalig , Det is mich (knatsj) egaal: dat maakt me niks uit. Det is mich sjiet egaal.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
egaal , egalig , egaal, om het even, vlak, zie ook egaal
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
egaal , eengaal , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , egaal; geen Tilburgse bewijsplaatsen; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  EENGALIG, eegalig - gelijk, effen, Fr. égal: twee eegalige pèèrden; de pataten komen eegalig uit.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
egaal , egaal , onverschillig
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut