elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eerlijk 

eerlijk , eerlijk , voor deftig, fatsoenlijk. , eene eerlijke begrafenis. Zoo ook eerlijkste, voor aanzienlijkste.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
eerlijk , eerlieks , in ernst, ernstig; ’t is eerlieks waar, ook Gron. Overijs. eerlings. Zooveel als: eerlijk met adverb. s.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
eerlijk , eerêlk , eerlijk. Zegswijs: nijt al te eerêlk en nijt al te godloos = met die zaken moet men het niet al te nauw nemen, kan of moet men niet zoo strikt eerlijk handelen; ook hierin moet men weten te schipperen. Vgl. Zeeman, bl. 244.
god en eerêlk, in de verzekering: ’t is god en eerêlk woar; ik verzeker joe god en eerêlk, dat, enz. = gij kunt er vast op aan, ik zweer het u dat het waar is.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
eerlijk , eerlinks , (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord) , Werkelijk, inderdaad. Jentjen had gîn sü̂kelasîgaartjen maor ’n eerlinkse sîgare in ’t höfd. Is ’t gekheid of eerlinks? Z(i)ee vòchten ü̂t eerlinks. Schei nu ü̂t met dat gestuj; tamé wöt ’t nòg eerlinks. Gron. eerlieks.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
eerlijk , eerlinks , ieerlinks , (bijwoord en bijvoeglijk naamwoord) , Werkelijk, inderdaad. Jentjen had gîn sü̂kelasîgaartjen maor ’n (i)eerlinkse sîgare in ’t höfd. Is ’t gekheid of (i)eerlinks? Z(i)ee vòchten ü̂t (i)eerlinks. Schei nu ü̂t met dat gestuj; tamé wö̀t ’t nòg (i)eerlinks. ’n (i)eerlinkse ve(r)k(i)eering, publiek engagement. Spölle wî ü̂t gek(h)eid of ü̂t (i)eerlinks? Gron. eerlieks.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
eerlijk  , ierlik , eerlijk. <u>Ierlik waor, het is beslist wàar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
eerlijk , eerlik , eerlijk
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
eerlijk , eerlieks , werkelijk
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
eerlijk , eerlek , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze is ’t eerlek?, is het eerlijk waar? – Onder de gulden (golden) is iedereen eerlek, men is alleen eerlijk als het de moeite niet loont om oneerlijk te zijn. – D’r benne niet veul eerleke mensen; wie ruig in z’n hande is, is eerlek, niemand is eerlijk, met name als het om geld gaat. – Je worre nooit van eerleke wages overreeën (wél van strontkarre), kritiek kun je vooral verwachten van lieden op wie zelf van alles valt aan te merken. – Voor eerlek verkoupe, op eerlijke wijze, in goed vertrouwen, zonder gebreken verkopen. | ’n Koe voor eerlek verkoupe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
eerlijk , èerlijk , eerlijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook eerlijk (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. eerlijk Hij is zo eerlijk as goold (Eli), Hie is deur en deur èerlijk (Oos), Hie is het eerlijkst, dat aander mag wal zo hij is niet betrouwbaar (Sle) 2. echt Eerlijk, ik heb er niet an dacht (Bal), Het is èerlijk waor gebeurd (Bor) 3. zonder gebreken Dat is een eerlijke koe (Eri), Hie is rondum de kop èerlijk paard mankeert niets (Dwi) *Eèrlijk duurt het langst (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
eerlijk , èerlijks , eerlijkst , Ook eerlijkst (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. echt Eerlijks waor, zo was het en niet aans (Hgv), Het is gien speulgoodbeest, het is een èerlijkse katte (Bei), Dat is eerlijks gebeurd (Bco) 2. eerlijk (bb) Nou is Haarm een eerliekse jong
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
eerlijk , erlijk , irlijk , eerlijk. ge moet ’t erlijk zeggen, je moet het eerlijk zeggen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
eerlijk , eerlijk , eerlijk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
eerlijk , eerlinks , (Gunninks woordenlijst van 1908) in ernst
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
eerlijk , irlek , eerlijk , Irlek zulle we alles diile zin ze vruuger, mér tuun was'ser wénneg te verdaole. Eerlijk zullen we alles delen zeiden ze vroeger, maar toen was er weinig te verdelen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
eerlijk , eerlik , bijwoord , 1. naar waarheid 2. in niet eerlik niet helemaal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
eerlijk , eerlik , bijvoeglijk naamwoord , 1. eerlijk, oprecht, zonder gemene dingen 2. betrouwbaar, zich nooit onrechtmatig iets toe-eigenend 3. zonder gebreken (van paarden, koeien)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
eerlijk , erlek , eerlijk
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
eerlijk , eerlijk , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , eerlijk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
eerlijk , jirrelek , eerlijk , hij is zo jirrelek as goud = hij is zo eerlijk als goud, hem kun je vertrouwen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
eerlijk , irlek , eerlijk , Irlek is braâf. Eerlijk is braaf. Variatie op eerlijk duurt het langst.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
eerlijk , ieërlik , ieërliker, ieërlikst , eerlijk , Zoea ieërlik es goud.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
eerlijk , irlek , bijvoeglijk naamwoord , Henk van Rijen:  eerlijk; Dirk Boutkan (1996) - (blz.34) irlek (met vocaalkrimping)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
eerlijk , ie~rlik , ie~rliker – ie~rliks , eerlijk
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut