elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eenkennig 

eenkennig , ienkend , (bijvoeglijk naamwoord) , eenkennig, eenzijdig. Een klein kind dat eene vreemde hand schuwt en afwijst, heet ienkend te zijn; zoo ook noemt men een ooischaap dat één van de twee of meer lammeren verstoot, ienkend.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
eenkennig , eenkennig , tegenovergestelde van: aanhalig, en synon. met eendarig; aleer waren de Beilers eenkennig = betoonden den vreemdeling geen vriendschap, waren niet aanhalig jegens den vreemdeling.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
eenkennig , eenkend , ienkend, inkend , (met de klemtoon op kend) , (bijvoeglijk naamwoord) , Eenkennig; van kleine kinderen. || ’t Is spijtig, dat Trijntje zo eenkend is. ‒ Het woord komt ook voor bij de 17de-eeuwse Hollanders; zie b.v. BREDERO, Rodd’rick, vs. 1859: “Hoe bingje dus ienkent? Benje vervaart voor Menschen?”
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
eenkennig  , einkinnig , Ein einkinnig kind, een kind dat niet vlug vriendschap sluit.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
eenkennig , ienkend , bijvoeglijk naamwoord , Variant van eenkennig, verlegen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
eenkennig , ienkennig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , eenkennig Det kiend komp lange neet genog bij aander kiender. Het is zo eenkennig as er neet veule bint (Rui), Er wazzen wichter genog in het darp en ienkennig was e ok nooit west (de:Sle), Dat peerd dat was slim ainkennig (Eco), ...een ienkennige (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
eenkennig , îênkennig , (Kampereiland, Kamperveen) eenkennig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
eenkennig , ienkennig , inkennig , bijvoeglijk naamwoord , eenkennig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
eenkennig , êêñken , êêñkenneg , bijvoeglijk naamwoord , [O] eenkennig, verlegen Nae ongeveer acht maonde worre sommigte babies êêñken Na ongeveer acht maanden worden sommige babies eenkennig Ook êênkenneg
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
eenkennig , ienkennig , (bijvoeglijk naamwoord) , eenkennig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
eenkennig , einkènnig , einkènniger, einkènnigste , eenkennig , Det wècht is erg einkènnig.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
eenkennig , einkinnig , eenkennig
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut