elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: duimeling 

duimeling , doemelink , dumelink , sloopje om een zeeren duim of vinger, Gron doemeling, Oostfr. dümelke.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
duimeling , doemeling , sloopje om een’ zeeren duim; Oostfriesch dümelke. Zoo: vingerling = sloopje om een vinger; ook Drentsch Zie ook: sleup.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
duimeling , duimeling , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. ‒ Op een binnenvaartuig. De haakring, waar het roer met de hangers in hangt.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
duimeling , doemeling* , zie ook sleup *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
duimeling , doemĕlink , duimelot.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
duimeling  , duumelim , foudraal om een vinger.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
duimeling , duimeling , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. IJzeren winkelhaak in dampalen waaraan een damhek draait. 2. Haakring waar het roer met de hangers in hangt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
duimeling , dumelink , lapje om de duim of vinger bij verwonding.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
duimeling , doemeling , doemelink, dumeling, duumlijk, dummeling, dummelk, , Ook doemelink (Zuidwest-Drenthe, zuid), dumeling (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), duumlijk (Zuidoost-Drents zandgebied), dummeling (Zuidoost-Drents veengebied), dummelk (Midden-Drenthe), doemelk (Midden-Drenthe), doemelke (Veenkoloniën) = duimeling, beschermkapje om de duim Het bloed kwam nog deur de doemeling hen (Eli), Ik zal oe een doemeling umme de vinger doen, dan wordt het lappien niet smerig (Bro), Hij hef laank mit een doemelke lopen (Ros), De doemeling weur maokt van een aol boezeroen (Gro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
duimeling , doemelink , dumelink , (Kampen, Kampereiland) duimeling. Ook: dumelink (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
duimeling , doemeling , zelfstandig naamwoord , de; los bekleedsel voor de duim, ook wel voor andere vingers
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
duimeling , duimelessie , boekband; bekleding van een boek
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut