elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dropje 

dropje  , dröpke , borrel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dropje , droppie , zelfstandig naamwoord ’t , Schatje, lieverd.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dropje , droppien , druppien , zelfstandig naamwoord , et 1. snoepje, figuurtje van drop 2. keutel van een geit, schaap
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dropje , druppien , (zelfstandig naamwoord) , 1. dropje; 2. sufferd; 3. slokje (sterke drank). Zie ook: slukkien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
dropje , druupke , kindje
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut