elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: droom 

droom , droom , (mannelijk) , dröme , droom.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
droom  , droum , droom.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
droom , drööm , mannelijk , droom
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
droom , druem , zelfstandig naamwoord, mannelijk , drueme , druemken , droom
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
droom , dreumen , dromen (zn.)
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
droom , dreum , droom , dreumen , Ook droom (Zuidwest-Drenthe, zuid) = droom Wat heb ik vannacht een rare droom ehad! (Ruw) Dreumen zint bedrog (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
droom , droom , droom
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
droom , dróóme , dromen , Dróóme zén bedrog, mér schét’te snaachs in bèd, dan vén’de’t 's mééreges nog. Dromen zijn bedrog, maar poep je ‘s nachts in je bed, dan vind je het ‘s morgens nog. Dromen zijn bedrog, maar dan komt de werkelijkheid.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
droom , droom , zelfstandig naamwoord , de 1. het dromen, toestand dat men droomt 2. het gedroomde 3. iets wat men bijzonder graag zag gebeuren 4. in iene uut de droom helpen hem tot inzicht brengen (terwijl hij iets heel anders dacht)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
droom , buuweze droewem , nachtmerrie
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
droom , dreum , (zelfstandig naamwoord) , droom.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
droom , droum , (mannelijk) , droume , druimke , droom
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
droom , drôom , zelfstandig naamwoord , droom
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
droom , druim , droom
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut