elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dromen 

dromen , drömen , (zwak werkwoord) , droomen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
dromen , dreumen , droomen; ’t zōl mie nijt dreumen! = ik zou mij er niet op behoeven te bedenken indien ik in uwe plaats ware; hij ken ’t wel dreumen = hij heeft het goed in ’t hoofd, hij kent het van buiten, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dromen  , druime , droomen
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dromen , druemm , werkwoord, zwak , 1 dromen, 2 in dwaling verkeren
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dromen , droeëme , dromen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
dromen , dreumen , dreumen, edreumd , dromen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
dromen , dreumen , dromen , Ook dromen (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. dromen Ik heb wal zo röt dreumd vannacht! (Eev) 2. kletsen, zeuren (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) Aj die man bij jo kriegt, dan huj niks zeggen, want hie dreumt an één stuk deur (And), Wij hebt die vent de hiele aovend der zitten had te dreumen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dromen , dromen , dromen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dromen , dromen , werkwoord , 1. dromen 2. mijmeren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dromen , dreumen , (werkwoord) , dreumen, edreumd , dromen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
dromen , droum , druime , droumtj, droumdje, gedroumdj , dromen , Hae steit weer te droume.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dromen , drôome , zwak werkwoord , dromen; Wie ha dè naa ôot kunne drôome! Drôomend veej vergit te graoze; Cees Robben: Waor ik snaachs nòg wèl van drómde ...; Cees Robben: Ik drómde vannaacht dèk wèèrk hò; Dialectenquête 1876 - hij is 'nen droomer; B droome - drómde - gedrómd; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij drómt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
dromen , druime , drömde – gedrömp , dromen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut