elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drillen 

drillen , drillen , voor lastig, hatelijk maken. Mogelijk afkomstig van of doelende op het in vorige eeuwen gebezigde strafwerktuig dril- of draaikooi.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
drillen , drillen , (intransitief werkwoord) , dreunen, lillen, schudden, trillen, de glazen drilden, de grond drilde onder mijne voeten, van daar drilling, trillende beweging.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
drillen , drillen , (zwak werkwoord) , ronddraaien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
drillen  , drille , dwingen van een kind.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
drillen , driln , werkwoord, zwak , vlug rondwentelen. Hee drilt van gekkegaejd, hij weet van inbeelding niet wat hij doen zal
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
drillen , drêllen , om elkaar heen slaan van touw of dergelijke
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
drillen , drille , werkwoord , Ook: afbeulen, sjouwen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
drillen , drille , werkwoord , ’n vorm van dragen. Twee volwassenen of kinderen reiken elkaar kruislings de handen. Op dit draagvlak gaat een kind zitten, dat zich met beide handen aan de dragers vasthoudt. Deze manier van dragen heet drille of kakkestoele. Pieter Brueghel (1525-1569) heeft het al geschilderd op zijn beroemde schilderij “De Kinderspelen”.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
drillen , drillen , bijvoeglijk naamwoord , gemaakt van dril Hij had een drillen broek an (Eri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drillen , drillen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. drillen In dienst woj drild (Sle) 2. opjagen Zit toch niet zo te drillen (Hgv) 3. in elkaar draaien van garen of touw Bij het touwdreeien moej oppassen dat het niet giet drillen (Dwi) 4. opwinden van gesponnen garen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Het gaoren moej op die dreei klossies drillen (Eex) 5. draaien, dribbelen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Moej dend ies zien drillen met de kont vol verbeelding en heupwiegend lopen (Sle), Kind, gao non is even rustig zitten, hol ies op te drillen (Hijk), Ze haar sloffen an en ze drilde der over (Row), Dat kind drilt aal um mij toe (Man), zie voor versch. betekenissen ook drellen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drillen , drillen , drillen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
drillen , drillen , werkwoord , streng doen oefenen, goed africhten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
drillen , drillen , bijvoeglijk naamwoord , van dril, bet. 1
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
drillen , drille , uitdrukking , Iemand drille [O] ergens voor bedanken, iets niet willen doen Nou, maor ik zou ‘m lekker drille eer dat ik dat voor hem dee Nou, maar ik zou er lekker voor bedanken, voordat ik dat voor hem deed
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut