elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drieling 

drieling , dreilings , (drielingen); soort van gebakken steen, kleiner dan baksteen, die bij voorkeur tot schoorsteenen gebruikt worden. Oostfriesch drêling, omdat drie er van de grootte en zwaarte hebben van den vroegeren steen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
drieling  , drejling , drieling.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
drieling , dreeleenk , zelfstandig naamwoord, mannelijk , drieling
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
drieling , drieling , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Kleine aardappel, groter dan kriel. 2. Ui van 3-5 cm doorsnede, het midden houdend tussen nep en grove uien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
drieling , drieling , 1. kleine aardappelen; te klein voor schil-aardappelen, te groot voor krielaardappelen; 2. drieling.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
drieling , dreiling , de , dreilingen , 1. drieling 2. spijker 27 x 11 (Zuidwest-Drenthe) 2. gezegd van een haas (Zuidoost-Drents zandgebied) Een drieling is tussen een halfwossen en een volle in (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drieling , drieling , zelfstandig naamwoord , de 1. drieling, drie kinderen van dezelfde zwangerschap 2. haas die niet vol, niet volgroeid is, hetz. als driekwat, bet. 2
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
drieling , drieling , zelfstandig naamwoord , drielinge , drieliñchie , 1. aardappel die in grootte volgt op de pootaardappel Je heb kriel, poters, drielinge en grôôte Je hebt krieltjes, pootaardappelen, drielingen en grote aardappelen 2. [O] klein, niet groot Die jonge groei niet hard, dat zel wel een drieling blijve (mogelijke oorsprong: op driekwart van normale grootte blijvend)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
drieling , drieling , zelfstandig naamwoord , WBD bepaald type klein paard; ook in Hasselt 'drieling'; WBD 'sjètlander' - shetlander
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
drieling , dreejling , drieling
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut