elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dreumel 

dreumel  , dreumel , klein kind.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dreumel , dreumel , drummel , zelfstandig naamwoord de , 1. Dialectische variant van dreumes. 2. Ouderwetse soort dikke koek. Vgl. oisdreumel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dreumel , dreumel , leste resjes ván en waefwaerk; ziede zelf!
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
dreumel , dreum , dreumel , dreumen , (wb, wm, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook dreumel (wm) = 1. draad van linnenschering (wb) 2. (mv.) afval van een afgewerkte webbe, dus draden, eindjes wollen of linnen garen, die de wevers overhouden. Men gebruikt ze in de lijsterstrikken om de drellen te steunen (Zuidoost-Drents zandgebied, wb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dreumel , deumeltien , zelfstandig naamwoord , et; klein kind
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut