elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drankje 

drankje  , drenkske , medicijn.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
drankje , druenkn , zelfstandig naamwoord, onzijdig , drankje
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
drankje , dränkie , drankje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
drankje , draankien , het , draankies , drankje Dat drankie meui drekt nao het eten innemen (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drankje , draankien , zelfstandig naamwoord , et; geneesmiddel in de vorm van een drankje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
drankje , [drankje (medisch)] , gedrank , gedränkie , drankje (medisch).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
drankje , [drankje] , drenkske , (onzijdig) , drankje, borreltje, hoestdrankje
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut