elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dram

dram , dram , Iemand den dram aamdoon, iemand pressen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dram , dram , zelfstandig naamwoord, mannelijk , nen dram op t lief hebm, aldoor zeuren en malen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dram , dram , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = vaart Zij magt wel wat meer dram achter het wark zetten, aans kriegt ze het niet op tied klaor (Bro), zie ook drem
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut