elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dorst 

dorst , dars , darst , dorst.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
dorst , dòrst , (mannelijk) , dorst.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
dorst , dòrst , dòrste , (vrouwelijk) , dorst.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
dorst , dörst , (de r wordt bijna niet gehoord) = dorst. Kinderen zeggen, spelende: heste dörst?goa noa Berend Börst; dei het ’n hōndje, dei pist’ie wat in ’t mōndje. (Ook aldus: heste hōnger?goa noa Berend Bōnger; dei het ’n hōndje, dei poept’ie wat in ’t mōndje.) In Oost-Friesland heeft men iets dergelijks tusschen moeder en klein kind: ik heb döst, klaagt het kind. De moeder zegt lachend: dan ga na Colnhöst; dâr is ’n lütjet hundje, dat pist di wat in ’t mundje. In Meiderich: Hees du dosz, so gohn na Jan ter Horst, da steht enn Kuh in de Tink, da gohn under sitte un drink.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dorst  , dors , dorst. Vergaon van dors, zeer dorstig zijn.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dorst , diöst , mannelijk , dorst
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
dorst , dùs , zelfstandig naamwoord, mannelijk , dorst
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dorst , dös , dorst.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
dorst , dörst , dorst , Rekking in Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, noord. Ook dorst (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied) = dorst Aj zolte herings eet, kriej dörst; die moet zwemmen (Gas), Kaolde thee holpt op zien beste veur de dorst (Hol), Ik heb dorst as een peerd (Geb) Hej dörst / Dan moej naor Bèrend Börst / Die hef een hondtie / Die pist oe liek in het mondtie (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dorst , döst , dorst
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dorst , dörs , dorst.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
dorst , dust , döst, dööst , zelfstandig naamwoord , de; dorst (lett.)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
Dorst , [toponiem] , Dorst , klein plaatsje vlak bij Breda
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
dorst , dörst , (zelfstandig naamwoord) , dorst.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
dorst , dost , dorst , dost hebbe = dorst hebben-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
dorst , doos , doost , (mannelijk) , dorst , Hieël ergen doost höbbe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dorst , dòrst , zelfstandig naamwoord , dorst; Frans Verbunt: et zèn bedörve kiendjes die van drinke dòrst krèège(ook Stadsnieuws: 120706)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut