elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dorp 

dorp , darp , dorp.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
dorp , darp , daarp , dorp, Gron. dörp.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dorp , dö̀rep , (onzijdig) , darpe , dorp.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
dorp , darp , (onzijdig) , darpe , dorp.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
dorp , dörp , durp , (Westerwolde) = dorp; ook: de dicht bebouwde kom van een dorp (Ommelanden); noa ’t dörp goan (dat minder plat heet dan: noa ’t loug goan), van de buiten die kom wonenden gezegd. De Ommelanders zeggen van dorpen, ook de grootste, waarvan de huizen nogal uiteen staande aan weerszijden van wegen en kanalen zijn gebouwd: ’t is gijn dörp, ’t is ’n streek, en waarmede zij, onbewust, de overeenkomst tusschen: dorp, en: terp, bevestigen. – Wij voegen hierbij de gewone uitspraak van eenige plaatsnamen, voor zoover die niet een gevolg is van het dialect: Baffelt (Bafloo); Brei (Breede); Beesterhammêrk (Nieuw-Beerta); Beem (Bedum); Bennewolde (Bellingewolde); ’n Dam (Appingedam); Feenderwold (Finsterwold); Gelens, klemtoon op: lens (Godlinze); ’t Hammêrk, ook: Midwolmerhammêrk (Nieuwolda); Kloosterdroapel, ook: ’t Klooster (Ter Apel); Leptert (Lettelbert); Heemskes (Heveskes); Loo (Vriescheloo); Mei, of: de Mei (Uithuizermeeden); ’t Neiland, klemtoon op: land, (en zoo Ooster- als Westernieland); Pijterboeren (Pieterburen); Olhoof, klemtoon op: hoof (Oldehove); Ōlrōm (Ulrum); de Pekel (Pekela); Ouwerd (Aduard); Ouwerderziel (Aduarderzijl); Ōskêrt (Uskwerd); Schêrwol (Schildwolde); Scheemderhammêrk (Nieuw-Scheemda); Scheemte (Scheemda); Slochter (Slochteren); de Riep (Zeerijp); Steem (Stedum); Tijsen (Tesinge); Tinalling, klemtoon op: nal (Tinallinge); Wietwerd (zoo Ooster- als Westerwijtwerd); Wolde (Kropswolde); Weie (Wehe); Winschoot (Winschoten); IJmtil, klemtoon op: til (Enumatil); IJzen (Ezinge); Lopstertil (Loppersumer brug); Röttum (Rottumeroog). Zie ook: Grönên.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dorp , dorp , (zelfstandig naamwoord mannelijk (?)) , zie darp. ‒ Als zelfstandig naamwoord onzijdig Zie de wdbb. ‒ Het rooie dorp, de gevangenis. || Hij is nê ’et rooie dorp. ‒ Ook elders bekend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dorp , dörp* , hierbij IJmtil = Enumatil (in ’t Westerkwartier) en Houk = Martenshoek, alsmede Ol’oof, Nij’oof, Nood’örn of -örm = Oldehove, Niehove, Noordhorn. Deze drie laatste echter meer algemeen Ollehoof, Neiehoof, Noordhörn.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
dorp  , dörp , dorp.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dorp , daip , onzijdig , däipe , däipien , dorp
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
dorp , durp , zelfstandig naamwoord ’t , Dorp.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dorp , dèùrep , dorp; ’t dèùrep méél “het dorp Meijel”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
dorp , dörpie , dorpje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
dorp , darp , dorp, dörp, durp , darpen , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook dorp (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), dörp (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe en Veenkoloniën met rekking, Zuidoost-Drents veengebied), durp (Midden-Drenthe, Coe) = dorp Wij hebt mor ien winkel in het darp (Sti), Zij woont niet op de streek, zij woont in het dörp (Zdw), Woor hej dat hèurd? Jongs bint er met oet het darp kommen hebben het in het dorp gehoord (Sle), Het giet het hiele dörp over (Bro), Je moet de kerk midden in het durp laoten (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dorp , dùrp , tùrp , dorp.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
dorp , dörp , dorp
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dorp , dârpien , dorpje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
dorp , dörrep , dorp , Ut kan bèèter van ‘n stad és van ‘n dörrep. Het kan beter van een stad dan van een dorp. Wie het breed heeft laat het breed hangen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
dorp , dörp , durp, dorp , zelfstandig naamwoord , et 1. dorp, i.t.t. een buurt, gehucht, stad 2. dorp waarin men woont of waar men vlak bij woont, ook wel: dat dorp waarop men focust; in verb. niet zelden zonder lidwoord, bijv. naor dörp moeten 3. gezamenlijke bewoners van het dorp
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dorp , durrep , uitdrukking , Beter van een stad as van een durrep Degene die het meeste geld heeft betaalt; Over durrep gaon Over de tong gaan
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
dorp , dörp , dorp
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
dorp , dörrep , het dorp zelf
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
dorp , törrep , centrum in ons dorp
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
dorp , dörp , (zelfstandig naamwoord) , dorp.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
dorp , durp , dorp
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
dorp , dùrp , tùrp , dùrpke , 1. dorp; 2. in ’t tùrp het centrum van het dorp , Nuejne is ’n gruûjn dùrp. Nuenen is een groen dorp.; Óns Diejn wònt in’t tùrp. Onze Dien woont in het centrum. Dit centrum bevat globaal de straten rondom het Park in Nuenen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
dorp , durp , dorp
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
dorp , darp , daarp, därp , dorp; darper, dorpeling.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
dorp , dörp , zelfstandig naamwoord , dorp, centrum van het dorp (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dorp , [centrum] , törp , (onzijdig) , het dorp in de betekenis van ‘het centrum’ , ’t Stiktj vanne toeriste in ’t törp.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dorp , dörp , dörper , dörpke , 1. dorp 2. ook törp = dorpskern , Effe nao ’t dörp. Rieje wae uuever de dörper of uuever de Napoleonswaeg?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dorp , dörp , zelfstandig naamwoord , dorp; Den Haajkaant is gin dörp mir. MP gez. On et dörp de praacht, mar hier de maacht. (Gez.van Goirkenaren: het geld was op 't Goirke te vinden); Cees Robben: et dörp dè spraak van en wónder; Dialectenquête 1876 - durp - dorp (vgl. de spelling 'putjes' voor 'pötjes'); durpsplèèn; gez. et kan beeter van de stad as van et dörp (wegens het vermogen); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - òn et dörp de praacht, mar hier de maacht (Ps) - Het geld was op 't Goirke te vinden.('Het dorp' het Goirke, een deel van Tilburg); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der gebeurt in en stad meer as in zeuve dörpe (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970)- waar veel mensen wonen, kan veel gebeuren; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DORP (uitspr. dörrep) zelfstandig naamwoord.o., Fr. village - dorp; heeft ook de bepaalde beteekenis van 'dorpskom', het gedeelte v.e. dorp dat rond de kerk ligt en gewoonlijk het meest bebouwd is. WBD III.3.1:317 'dorp' = dorpskom, centrum v.h. dorp, ook 'kom'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
dorp , dörp , dörpe , dörpke , dorp
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut