elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dabben 

dabben  , dabbe , in den grond scharren door een hond.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dabben , dabbe , dabbere , Dör ’t sliek hin dabbe(re) moeizaam door het slijk heen lopen; dabberen(?) dör de modder dabbe moeizaam door de modder lopen; wroeten erpel dabbe aardappelen handmatig uitgraven. [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
dabben , dabbe , grave.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
dabben , dabbe , werkwoord , graven, knoeien. 1. Konijnen, honden en katten dabbe met hun voorpoten een holletje in het zand. 2. Kinderen dabbe (knoeien) vaak met het eten. 3. Een dabber is een knoeier, een prutser, iemand die zijn vak niet verstaat. 4. Een voormalige carnavalsvereniging heette De Dabbers.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
dabben , dabben , debberen , 1) met handen of voeten door een zachte substantie gaan; dur de modder dabben; 2) eten prakken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
dabben , dabbe , graven , We kunne de kniin nie in de waoj haauwe, ze dabbe ooveral piipe ónder de gôs dur. We kunnen de konijnen niet in de wei houden, ze graven overal pijpen onder het gaas door.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
dabben , dabbe , dabbere , 1. door de modder gaan; 2. prakken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
dabben , dabbe , overal doorheen lopen, nergens op letten al is het nog zo vuil of modderig
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
dabben , dabbe , werkwoord , graven, stappen (Eindhoven en Kempenland); dabbe; in de modder lopen (Land van Cuijk); dabbe; krabben, wroeten (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dabben , [graven] , dabbe , dabtj, dabdje, gedabdj , 1. graven of wroeten bij werkzaamheden 2. krabben , Dae haet zich hieël get bie-ein gedabdj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dabben , dabbe , zwak werkwoord , dabbe - dabde - gedabd , "knoeien, morsen; N. Daamen - Handschrift 1916 – dabbe - morsen; Nog nu kan 'k me niet voorstellen, dat die man, toen hij nog ""zonnen dabber waar"", ooit Adriaantje of Josje genoemd zou zijn. Dat bestáát nie! En dabben kon ie. Dat geknoei in en om z'n duivenkooi zie 'k nog aan. (A.J.A.C. van Delft, uit: ‘Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect’; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956); Van Beek - dabben is morsen  (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958); Cees Robben – Naa kunde op oe slabbeke dabbe, vergimmese dabklôôt... (19870529); Ziezo. Naa kunde op oe slabbeke dabbe, zeevereer !!! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1985); Dan mòkte we in et midde vant bòrd in de boerekôol en költje om de sjuu in te doen. Èn dan mar britse, meneer. Lèkker! Èn dabbe, èn prakke. Gin gepielie. Spaoje! (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009); Pierre van Beek: ook gezegd van een paard dat stilstaand met een hoef de grond omwoelt; Hees dabbere (I:34); Cornelis Verhoeven:  DABBEN l. ov.ww, met de voeten aanstampen; 2. zich moeizaam voortbewegen over een slechte, modderige weg; ook wel: opzettelijk door het slijk lopen; 3) onov.ww, knoeien, morsen, bv. met pap. Z.a. Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – dabbe - graven, knoeien; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DABBEN - al stampende met de voorpooten de aarde uitgraven, sprekend van paarden; gaan met eenen bijzin v. moeite of onbehendigheid. A.P. de Bont: dabbe(n) zw.ww. intr.+ tr. 1) met de voorpoten al harkende graven; 2)wroeten, krabben; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DAPPEN zeggen de bouwlieden om Breda niet alleen voor het maken van eenen kuil door de paarden, maar ook voor het maken van denzelven met mensehenhanden. Z.a. Goem. DABBEREN - dabere, wkw (daberde, gedabert) - met de handen of de voeten in water of slijk morsen; door water of slijk gaan zonder acht te slaan op schoenen of kleederen. WBD III.2.3:9 dabbe = morsen (niet vermeld); WBD III.4.4:217 'dabben' = nat maken, ook: 'pletsen'; WBD III.4.2:68 'dabben' - graven v.e. pijp (konijnenhol), ook 'buten' genoemd; WBD III.3.1:209 'verdabben', 'verkwisten, opmaken, vergooien, verbrassen' = verkwisten; WBD III.1.2:73 'dabben' = een kuil graven; WBD III.1.2:74 'dabben' = wroeten; WBD III.1.2:96 'dabben' = morsen; ook: 'zeveren, kliederen, muikelen'; WBD III.1.2:97 'dabben' = plassen met water; ook 'poeliën'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
dabben , dabbe , dabde – gedab , wroeten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut