elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: daas 

daas , daas , daze, blinde daas , Horzel of hurzel, paardenvlieg, bremse, tamelijk groote vlieg of wesp, met uitpuilende oogen, die hunne eieren tusschen vel en vleesch leggen. Men noemt ze blinde dazen, omdat ze blind ergens op neêr vallen, zonder los te laten, inzonderheid op de koeien, die er in de weide veel van te lijden hebben, zoodat ze als razend rondloopen, horzel-woedend zijn, genoemd. Kiliaan, daese, daesele, daesene, asilus, tabanus, welke woorden het Dict. tetraglotton, 1714 overzet door ‘wespe oft vliege die d’Ossen, koeyen, etc. seer quelt,’ en ‘een koe-vliege, bremse.’ Vergelijk ook zijn daesen en het Eng. to dash. – Men bezigt het woord daze ook van aankomende meisjes, die niet recht snugger of gaauw zijn in’t werk, Overijselsch doedeldop.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
daas , daas , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Onwijs, onnozel; van de uitdrukking van het gelaat. || Wat heb hij ’en daas gezicht. Hij zat zo daas te kijken. – Ook als geslachtsnaam DAAS. – Daas is een oude wisselvorm van dwaas (vgl. Taal- en Letterb. 2, 70 vlg.), waarvan ook verschillende afleidingen voorkomen. Zie Mnl. Wdb. II, 34 en 74; KIL. 99; HALBERTSMA 791. Het woord is thans verouderd, maar komt dialectisch, behalve aan de Zaan, ook nog voor te Haarlem, waar ook dazen, onwijs doen, ijlen, nog in gebruik is, te Zandvoort (O. Volkst. I, 239), en te Kortrijk (Belg. Museum 8, 172). – Vlg. dazig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
daas  , soldaes , paardenvlieg.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
daas , daze , Onvernuftig en traag vrouwspersoon. Vergelijk Kiliaan op daes enz.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
daas , daas ,  deis , bijvoeglijk naamwoord , 1. Onwijs, onnozel. 2. Kwaad, opgewonden. Afleiding van dazen. Vgl. Middelnederlands dasen = dwaas doen. Vgl. Frans daser = dromen, duizelen. Wat ’n deis! Doen niet zô deis (Wervershoof).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
daas , daes , staekvleeg.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
daas , daas , zelfstandig naamwoord , (stekende) paardevlieg (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cap,Pols); het dier komt ook wel bij mensen voor, maar bij paarden was (en is) het een grote last. Wanneer een paard door een daas gestoken werd, sloeg het nogal eens op hol (zie *bizze ). Ook koeien hadden wel eens last van een daas. De insecten verschenen maar gedurende een paar uren per dag; als dit net onder melkenstijd viel, waren de koeien niet te genieten. Met paarden die last hadden van een daas, viel niet te ploegen. Het verschijnen van dazen duidt op de komst van onweer. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 46).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
daas , daas , daos , Ook daos (Zuidwest-Drenthe, zuid) = flauw, suf Ie wordt daas van al dat gezeur (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
daas , daas , de , dazen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = blinde vlieg Dat pèerd hef een daas an zuk (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
daas , daos , daas, steekvlieg.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
daas , daeze , zelfstandig naamwoord , de; in bliende daeze blindaas, soort steekvlieg
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
daas , doas , daas, steekvlieg
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
daas , daze , (zelfstandig naamwoord) , daas, steekvlieg.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
daas , daze , (zelfstandig naamwoord) , sukkel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
daas , [dwaas] , daos , (zelfstandig naamwoord) , grote dwaas.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
daas , daos , (bijvoeglijk naamwoord) , suf, verward (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
daas , daze , paardenvlieg (Nunspeet).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
daas , daas , (vrouwelijk) , daze , daeske , daas, steekvlieg
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
daas , daes , daeze , daas
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut