elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: cent 

cent , centen , zenten , in bepaalde gevallen een weinig kleingeld; de meid vraagt bv. hare mevrouw om centen, als zij eene boodschap moet doen. – hij het centen (ook: daiten) – hij heeft duiten (v. Dale) Vgl. lösse centen; Hoogeland zenten, zinten; ook voor: geld, in’t algemeen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
cent , cent , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In het meerv. centen bij het volk voor geld. || Een dienstbode zal zeggen: Ik heb de centen (het geld; onverschillig of het guldens, kwartjes of centen zijn) op tafel ’elegen. Hoeveel hij (mijn zoon) verdient, weet ik niet, misschien ƒ 3, maar daar vraag ik niet naar, want hij geeft de centen aan moeder, en met het huishouden laat ik mij niet in, Arbeids-enquête (a° 1891), 3078. – Vgl. de samenst. lastcent.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
cent , centen , meestal uitgesproken zenten, beteekent kleingeld, of een kleine som geld, in uitdrukkingen als: mevrouw het mie nog gijn centen doan = nog geen geld gegeven tot het doen van boodschappen; kopergeld wordt genoemd lösse centen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
cent  , cent , cens of cente , cent.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
cent , seant , zelfstandig naamwoord, mannelijk , seantn , seantjen , cent; seantn, geld
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
cent , cènt , m , cent ’ne cènt wille géve Hem een cent willen geven; cent ’m vör vijf cènt géve Hem flink straffen; cent ’t is echt waor génne rooje rot cènt wérd ! Het is echtwaar geen rooje rotcent waard!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
cent , sent , zelfstandig naamwoord de , Cent, in de zegswijze gien sent in de mars hewwe, straatarm zijn. De mars is hier de koffer of kist met koopwaar. Vgl. marskramer. – Gien sent op zak hewwe, geen geld bij zich hebben. – Je zouwe ’m ’n sent geve, spottend gezegd van iemand die armoedig of haveloos gekleed is, die misplaatst misbaar maakt of misplaatst medelijden tracht op te wekken. – Voor gien sent, totaal niet. | Ik vertrouw ’m voor gien sent. Verkleinvorm sentje, in de zegswijze gien sentje poin, helemaal geen moeilijkheden of problemen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
cent , cent , de , centen , 1. cent Het brengt gien rooie cent op niets (Dwi), Het is gien cent weerd niets (Bov), Ik geef der gien cent veur heb er niet veel vertrouwen in (Een), Hij hef gien cent meer op zien geweten (Hgv), Daor is een mooie cent an te verdeeinen (Eex), Hij lat zuk veur een cent een gat in de ribben boren is geldgierig (Bco), Hij wil een cent wal deurbieten is zuinig (Hijk), As ie veur een cent geboren binnen, wor je nooit ain kwartje (Vtm), Ie loopt ook mit de centen van de schèerbaos ien de buse je moet nodig naar de kapper (Rui), Ik zing gien twee liedties veur iene cent herhaal het niet weer (Klv), Hij wil ok een cent in het bakkie gooien duit in het zakje doen (Row), De centen gruit mij niet op de rug ik ben niet rijk (Anl), IJ zulden hum een cent geven hij doet onnozel (Sle), Hij is aordig op de centen gierig (Pdh), Hij valt dood op een cent is gierig (Ruw), Hij is zo gek as een cent (Erf), Een cent kwam vaker in de karke as een dubbeltie (Hol), Die lat hum veur een cent van het dak vallen is gierig (Wap), Mag ik veur een cent kiek over de teunbaank tegen een bakker om hem voor de gek te houden (Zey) 2. in centien rammeln spel met centen. Ook centien vlijen (Zuidwest-Drenthe, zuid), Centien rammeln, dat is centen in de haand pakken. Deur mekaar rammeln, omhoog gooien en dan kieken. As het munt was, mug ie die holden. Wat kruus was, weer vanneis rammeln (Klv), Met centien rammeln, mussen ie raoden: kop of munt (Hijk), ...schudden en de centen op de grond laoten vallen. Dan kieken: let of leeuw. Leeuw mug ie holden. Dit gebeurde bai het streepgooien (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
cent , cent , cent
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
cent , viif cénte , vijf centen , Daor zat me vur viif cénte. Daar zat me voor vijf centen. Dat was me een allegaartje.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
cent , cent , zelfstandig naamwoord , de 1. bekende voormalige munt, ter waarde van 1/100 gulden, ook: die waarde 2. eurocent of de waarde daarvan 3. zeer kleine waarde, zeer klein bedrag aan geld (in de verb. gien cent) 4. nog niet iets gerings, bijna of geheel niets, in gien cent (zonder de gedachte aan geld) 5. geld in het algemeen; centien, et; verkleinwoord van cent
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
cent , cent , zelfstandig naamwoord , cente , ceñtjie , centen, geld Ze heb cente zat Ze heeft geld genoeg; Hij ’s nog slechter as goed van een cent een el Hij deugt niet; (figuurlijk) Gêên centjie pijn De moeite niet
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
cent , cent , (mannelijk) , cente , centje , cent, oude Nederlandse munt , Geine roeaje cent oppe rubbe höbbe. Hae luiptj mètte cente vanne kapper oppe kop: zijn haar is te lang, hij moet naar de kapper. Oppe cente oet zeen. Zoea plat wie eine cent.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
cent , cent , ’n cent kope, naar de snoepwinkel gaan; ga je mee ’n cent kope?; verkleinvorm centjie; ’n centjie voor den erepoort, onder dit motto collecteerde de Dordtse schooljeugd om de kosten te betalen van kinderspelen en vuurwerk voor het jaarlijks terugkerend Oranjefeest. Er werden tijdens dit feest erepoorten opgericht, die vaak slechts bestonden uit ’n over de straat gespannen touw met groen, slingers en lampions. Elke straat had zo zijn eigen erepoort; centjie tikke, kinderspel: elkaar aftikken om geld. Een aantal centen werd tegen een muur gegooid en moest zo dicht mogelijk vóór een op de stoep getrokken streep terechtkomen. Wie won, kreeg het geld
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
cent , sènt , zelfstandig naamwoord , cent; Frans Verbunt - ene grôote cent - een sou, halve stuiver; Pierre van Beek - ene cènt of anderhalf - niet veel soeps; Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Toen zaate de meense in, die hadde gin sènte, jo! Der zaate gin sènte bij de meense, hu!”; Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Et was netuurlek ammel vur kènder, hè…de snoep èn de sènte, meer krêede nôot nie…!!”; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ne cènt vurt pèrd vaasthaawe (Si'70) - kaartterm: weinig inspanning, dus weinig verdienste. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - dòr zit vur ne cènt of aanderhalf (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - Dat is een buurt waar heel gewone mensen wonen, niet veel bijzonders. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - iemand vur vèèf cènt meegeeve - iemand heel wat onder de neus wrijven, flink onder handen nemen. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - spulle fiks, mar cènte niks, zi Jantje van Hees (MP '48) - mooie dingen maar geen geld (vH was een bekend boertje op de Kouwenberg); Frans Verbunt -  ene cènt vurt pèèrd vasthaawe / volk van anderhalve cènt Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - CENS en CENT zelfstandig naamwoord m. - stuk v. 2 centiemen: Hij ziet op 'ne' cent - hij is gierig.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut