elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: busselen

busselen , bussele , dooreen gooien.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
busselen , [bundelen] , bössele , bösseltj, bösseldje, gebösseldj , 1. bundelen,bij elkaar dragen 2. slepen met iets 3. stoeien
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
busselen , bussele , zwak werkwoord , samenbinden; bundelen; WBD III.1.4:47 'busselen’ = schipperen; WBD III.2.3:13 'busselen' = druk eten met kleine hapjes
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut