elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buiten dat 

buiten dat , buten dat , buitendien, Gron. boetendat, boetendes.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
buiten dat , boetendat , boetendes , buitendien, bovendien, dat daargelaten; hij ’s boetendat al ongelukkîg genōg; maor boetendat, zij het van ’t zömer ook al ’n nei klijd kregen; boetendes mōs hij ’t nijt zegd hebben, dat, enz.; = boetendes, wat zōl heur voader d’r wel van zeggen! “Boetendat was boer ook nijt zeker, of hij wel op hōm stemd har.” des, voor: dies, bijwoord 2e naamval van het aanwijzend voornaamwoord: die. Drentsch boetendat, butendat. (Vgl. v. Dale: onderdies, ook: onderdes (weinig gebruikelijk) = ondertusschen, intusschen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
buiten dat  , boetedet , behalve dat.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
buiten dat , boetendes , buitendien
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
buiten dat , butendät , afgezien daarvan.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
buiten dat , butendet , 1. bovendien; 2. daarnaast.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
buiten dat , boetendes , bijwoord , bovendien Boetendes, der is spraok van daw op dat feest kommen zult (Eex), Boetendes mag ik dat geern heuren (Vtm), zie ook boetendien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buiten dat , [bovendien] , butendät , (bijwoord) , bovendien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
buiten dat , butendät , bovendien (Apeldoorn).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
buiten dat , [bovendien] , boetedet , bovendien, zie ook daoboete , Des se te laat bès, wèts se, mer boetedet höbs se ouch nog de pepere vergaete. Hae kan good zinge mer boetedet kan d’r ouch nog good blaoze.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut