elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buiten 

buiten , buten , ruilen. Fr. troquer. Ver-buten, verruilen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
buiten , buten , Tw. ruilen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
buiten , buten , ruilen, zie ook ummebuten.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
buiten , buten , buiten (Gron.) boeten = zonder; ’t ’r weel buten redden ken = omdat zij het er buiten redden kan. (v. Dale: buiten iets kunnen = er geen behoefte aan hebben, enz.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
buiten , buten , buiten , ruilen. Dr. Landr. (1712), Reglem. (1716) enz. art. 4: Indien eenig Goet voor een gedeelte verbuitet wierde. Gron. buten, ombuten, verbuten, kuutjebuten; Overijs. ombuten = omruilen, verwisselen; Oostfr. büten, inbüten, ombüten, ferbüten; Neders. büten, verbüten, ombüten, alsmede: büte, Gron. buut = ruil; Holst. Westf. büten = ruilen; Deensch bytte, Zw. byta = ruil; Oudd. buyten, Noordfr. büte, Teuthon. buyten, pangelen. (Nog in het pleon. ruilebuiten, bij v. Dale ook: ruilebuilen.) Zooveel als: boeten, in den zin van: baten, beteren, als wederkeerige handeling, waarbij beide personen gebaat worden. top um buten = tegen elkander ruilen; dan kun j’ ’t wel tugen um top um te buten = die ruil is in uw voordeel.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
buiten , bü̂ten , (zwak werkwoord) , ruilen; ümmebü̂ten, verbü̂ten, omruilen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
buiten , bü̂̂ten , (voorzetsel, bijwoord) , bü̂̂ten en behalve, uitgenomen (ook bûten, vgl. ût).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
buiten , buten , ruilen, als handelsdaad; ombuten, ook = verwisselen van het eene voorwerp tegen een ander, maar ook bv. van beurten, zitplaatsen, enz.; weer ombuten = nogmaals ruilen, zoodat elk het zijne weer terug bekomt; ik wil wel buten mit messen, maar: zel wie ombuten mit ploatsen? verbuten = een oud tegen een nieuw voorwerp verruilen, natuurlijk onder zekere voorwaarden, wat bijna alleen van gouden en zilveren voorwerpen wordt gezegd: ’k heb mien golden flöt verbut (Oldampt), verbuut (Ommelanden); buutgeld = het geld dat men toegeeft bij eene ruiling; butenschōp = buut = ruil, ruiling; ik ken dei butenschōp wel tugen = ik heb een’ voordeeligen ruil gedaan; ’t gait buut om buut = wij ruilen zonder elkander iets toe te geven; iemand buut bijden (Ommelanden) = den voorslag doen om te ruilen; kuutjebuten = ruilen (in de kindertaal); wie hebben an ’t kuutjebuten west = wij hebben geruild. Het Drentsch heeft: buten, buiten, ombuiten, buterij en butenschap; Overijselsch ombuten = omruilen, verwisselen; Middel-Nederlandsch buten = ruilen; butinge = ruiling. (Verdam). Oostfriesch büten, in büten, ombüten, ferbüten; Nedersaksisch büten, verbüten, ombüten, en: büte = ruil; Holsteinsch büten, Westfaalsch bûten = ruilen; Noordfriesch büte, bütenschoap, en: kütebüten; Deensch bytte = ruil; Zweedsch byta = ruilen; byte = ruiling; ombyta = omruilen; utbyta = omwisselen, uitwisselen; Middel-Hoogduitsch biuten, bûten = ruilen, handelen. Zal zooveel zijn als: boeten, in den zin van: baten, beteren, als wederkeerige handeling waarbij beide personen gebaat worden. (Vgl. buitelen, van het ongebruikelijke: buiten, voorheen = wisselen.) Zie ook: kuutjebuten. – buten = boeten (bijwoord en zelfstandig naamwoord) = buiten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
buiten , boeten , verhollandscht buten (= buiten, ook als zelfstandig naamwoord) De Groningers zijn gewoon de ligging der dorpen in deze provincie te bepalen door de poort te noemen, welke men uitgaat om er te komen? Zoo ligt bv. Delfzijl boeten Stijnenpoorte (Steentilpoort); Winschoten boeten Klainpoortien (’t Kleine poortje); Haren boeten Heerepoorte; Grijpskerk boeten Droapoorte (de A-poort); Winsum boeten Botternpoorte (Boteringepoort); Warfum boeten Ebbenpoorte (Ebbingepoort). (Eene schippersvrouw vertelt hare vriendin dat haar man behouden te Riga is binnengekomen. Deze vraagt: Riga? wat poorte is dat oet?) – Ook na de ontmanteling der stad zullen de stedelingen zich nog lang aan dergelijke uitdrukkingen houden. Op ’t Hoogeland: in boeten = buiten, buiten de school; en = naar buiten; ook Oostfriesch; Jan is in boeten; mag ’k even in boeten, meester? Ook = buiten, op het veld, ter onderscheiding van: in de schuur; de baonen bin nog boeten; wie hebben nog vief juk garst boeten; arbaiders kennen nijt boeten wezen in al dei regen. Spreekwoord: Van boeten bestendîg, mit knepen inwendîg, zegt men, meestal schertsend, van jonge lieden die zich heel deftig weten te houden, maar de kat in ’t donker knijpen. Oostfriesch Van buten beständig, Knäpen inwendig. Zie ook: binnen.
ien boeten (Ommelanden) = buiten de deur; ’k heb nog nijt ien boeten west; meester let de kiender ien boeten = hij laat de kinderen spelen.
boeten = boeten kennis = i = boetensporig wezen = ijlen, ijlhoofdig zijn, buiten westen, ingeval van ziekte. Zie ook: binnenwiend.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
buiten , bouten , zie buiten * 2.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
buiten  , boete , buiten. Der boete, buiten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
buiten , bütten , wat in Vriezenveen zuidelijk van de dorpsstraat ligt, is bütten. Hen bütten: naar de bütterlaonde
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
buiten , bütten , zwak werkwoord , ruilen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
buiten , büttert , in büttert, vanaf het dorp de bütterlaonde in lopen. Büttert in gaon.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
buiten , boetn , voorzetsel , 1 buiten, 2 behalve; boetn dat, dat buiten beschouwing gelaten, bovendien
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
buiten , bute , ’t Is nou moi wéér bute gistere vergeleken bij gisteren is het nu mooi weer; bute wone is lekker wone. wonen op het platteland is lekker wonen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
buiten , buten , ruilen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
buiten , in boeten , op boeten , buiten
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
buiten , buiten , voorzetsel en bijwoord , in de combinatie in buiten, dialectische variant van buiten, buitenshuis. | Gane julle maar mooi in buiten speule. – D’r niet van buiten kenne, er niet buiten kunnen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
buiten , buitenen , bijwoord , Dialectische variant van buiten. | Ik vind z’n huis van buitenen niet zô mooi.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
buiten , bute , werkwoord , 1. Beuren, zwaar tillen (verouderd) 2. Mannen, de baas zijn. Het woord is verwant met buit. Zie het N.E.W. onder buit. Zegswijze hai ken ’m bute nach beure, hij is niet tegen hem opgewassen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
buiten , buten , buiten; * hi leg zien eier buten het nöst: hij gaat vreemd; as ’t buten biestert, is ’t binnen best: bij slecht weer is het behaaglijk binnen te zijn.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
buiten , buiten , zwak werkwoord, overgankelijk , (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = de baarmoeder uit laten zakken van varken of koe Het lief buiten (Rod), zie ook buter
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buiten , buten , beuiten, buiten , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Ros). Ook beuiten (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), buiten (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = stoken, branden De jonges gungen bai de dreuge waal het vuurtie buiten (Row), Buut ij ok nog in het stookhok? (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buiten , boeten , buten , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook buten (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. (vz.) buiten, Hij hef hum boeten de deure zet (Bov), Hij is buten levengevaor (Dwi), En boeten dat, wij wiet alles der lang niet van buitendien (Pdh), Boeten det mus hij ook nog een daalder betalen (Ruw), Het is boeten verwachting goed oflopen (Bui) 2. (bw.) buiten Ze hebt mie overal boeten holden (Bco), Het is um 5 uur al duuster boeten (Bal), Het zwien lop op boeten (Sle), ... in boeten (Row), ... veur boeten (Eex), Hij giet hum te buten gaat te ver (Dwi), Hij proot boeten ijlt (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buiten , boeten , het , (wb) = buitenplaats Boeten het darp stun een mooi boeten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buiten , buiten , onbepaald werkwoord , (Zuidoost-Drents veengebied) = gezondbidden Eerder gungen bepaalde lu, zoas dien opa, wel hen buiten. Dan gungen ze op de kneien bie een zeik deier, zetten de pette of en begunden te beden, dat het deier weer gezond weur (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buiten , buiten , vergeleken met. ’t is vandaag mar kaauw, ’t schilt veul buiten gisteren, het is vandaag maar koud, het is een heel verschil vergeleken met gisteren.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
buiten , buten , voorzetsel , buiten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
buiten , buten , zelfstandig naamwoord , (Gunninks woordenlijst van 1908) villa
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
buiten , buutn , buiten. ’t Is soms buutn warmer as binn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
buiten , bûite , buiten , Meej kaoj wiir gôd'de nie bûite speule, t’is goed um 'n kléts te vatte. Met slecht weer ga je niet buiten spelen, het is goed om verkouden te worden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
buiten , buten , werkwoord , ruilen, bijv. We hebben liekomme buut
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buiten , buten , voorzetsel , 1. buiten, niet in/binnen 2. niet betrokken zijn, zich er niet mee bemoeiend 3. zonder, bijv. buten aosem
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buiten , buten , bijwoord , 1. niet binnenshuis, buiten 2. niet binnen een bep. ruimte 3. aan de buitenkant van het dorp, niet op/in het hoge/bewoonde deel van het dorp 4. in van buten uit het hoofd: Hi’j kende et hiele lietien van buten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buiten , buter , buter-, buten-, bute- , buiten-; de var. met buter- hebben - als erfwoorden - meestal de voorkeur; buiten-, aan de buitenkant gesitueerd, in sst. als buterboeren, buterdörp, buterweg, buterkaante; ook bute- en buut- doen zich af en toe als eerste lid voor; buten-, bute-, vooral in nieuwere woorden als butenboordmoter, butenbad en in oudere zoals butendat, butenbientien; ook als var. van buter-, maar als het accent op het tweede woorddeel ligt, treedt buten- op, niet buter-; zie verder vooral onder buter-; ook bute- en buut- doen zich incidenteel voor als eerste lid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buiten , boite , bijvoeglijk naamwoord , [O] buitendijks Wimme is boite gaon kijke ofte bôôt al an is? Zullen we eens buitendijks gaan kijken of de boot al afgemeerd is?
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
buiten , buitene , bijwoord , naar buiten Azzie niet naer buitene komp, dan kom ik naer binnene Als je niet naar buiten komt, dan kom ik naar binnen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
buiten , bùìjte , buiten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
buiten , bùìjte dè , bovendien
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
buiten , buten , (voorzetsel, bijwoord) , buiten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
buiten , buten , buiten; hee kan nao buten kieken, (uitdrukking) hij heeft een gat in een kous of sok.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
buiten , boete , (boe~te) , 1. buiten 2. behalve , Boete blieve. Dao blief ich boete. De was boete hange. Gank dich neet te boete: gedraag je netjes. Boete de familie waas nemes dao.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
buiten , bèùte , zelfstandig naamwoord , buitenverblijf; de buitenkant van een woning (stoep, ramen, tuintje); gòmme nòr den bèùte? - gaan we naar het buiten/landgoed?; Henk van Rijen: doede gij den bèùte, dan waas ik swèls aaf .Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BUITEN – vz., bijwoord., zelfstandig naamwoord: hij is van den b. (platteland); op den b. wonen (buitengoed).
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
buiten , bèùte , bijwoord , buiten; Dialectenquête 1879: buite (ui als in Fr. Meuse, fleuve); A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): de tweej dötsers kwaame nòr bèùte; Henk van Rijen: hij is op den bööte - hij is op het land; hij is op zenen bööte - hij is op zijn landgoed; Henk van Rijen: den bööte doen - de buitenboel schoonmaken; gd94 - de waas hangt nog bèüte
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
buiten , boe~te , buiten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut