elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buit 

buit , buut , buit; ook = ruil; buut bijden; buut om buut; Zie: buten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
buit , buit , (voorzetsel) , Buiten. Alleen in de samenstelling Buitkaaik; zie aldaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
buit  , buut , buit.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
buit , buut , de , Ook buit = buit Willem heuft niet mèer te warken, hij hef de buut binnen (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buit , buut , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = ruil De buut is daon, wij gaot nou vort (Eex), Buutie, buutie, niet weerum bezwering bij het ruilen (Odo), Buut of slage gebruik bij het spinmalen, waarbij een jongen kon kiezen of hij een meisje wilde houden en dan een klap kreeg of dat hij haar wel wilde afstaan (veroud.), zie ook buten I
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buit , buit , buut , zelfstandig naamwoord , de 1. wat men heeft verkregen door buit te maken of door moeite te doen 2. prooi, jachtbuit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buit , buujt , buit , Dirk hi de buujt binne. Dirk heeft de buit binnen. Dirk heeft zijn zaken met succes afgerond.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
buit , buut , zelfstandig naamwoord , buit; -Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): meej den buut gòn strèèke - er met de buit vandoor gaan; Cees Robben: mene buut verdiend meej ènkelt wèève; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): - zelfstandig naamwoord vr. 'buut' - buit, winst: 'de buujt saomen daele '. J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUUT zelfstandig naamwoord mannelijk - buit, Fr. butin; merkelijke hoeveelheid; onverwacht profijt, winst. J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836):. BUET hoort men hier meer dan buit.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut