elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buffelen 

buffelen , buffêln , zeer plompe uitdrukking voor: eten, veel eten, van groote menschen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
buffelen , büffelen , Eten, veel eten (van menschen gezegd).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
buffelen  , buffele , winden laten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
buffelen , buffele , schranzen, schrokkig eten.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
buffelen , buffele , werkwoord , 1. Pezen, hard werken. 2. Gulzig, ongemanierd eten. 3. Boeren of winden laten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
buffelen , buffele , werkwoord , veel eten (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha, LPW: IJss, Mont, Lop, Cab, Pols). Zie ook *bunsumme. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 44).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
buffelen , buffeln , onbepaald werkwoord , geweldig eten Ze zit daor goed te buffeln (Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buffelen , buffelen , hard werken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
buffelen , buffelen , werkwoord , buffelen: hard en zwaar werken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut