elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brullen 

brullen  , brölle , bröl, bröls, brölt, brölde, gebröld. , brullen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
brullen , bruln , werkwoord, zwak , luid schreien
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
brullen , brullen , 1. schreeuwen. 2. heftig huilen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
brullen , brullen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. brullen Wat is dat zwien ruis, hie brult het oet (Sle), Wat kan dat jong brullen as e zien zin niet krig (Coe), De bol kuj hier heuren brullen (Row), Ze zaten te brullen van het lachen (Bei), Wat giet dat hard, zij brult er aover van schaatsenrijders (Bro) 2. (luid) schreien Moej dat jong is heuren brullen, hie hef vast wat veur de kont had (Eex), Hij kan niks hebben; hij brult direct (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brullen , brullen , huilen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
brullen , brullen , brullen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
brullen , brulle , huilen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
brullen , brillen , brulen , huilen, schreien.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
brullen , brulle , werkwoord , schreeuwend huilen (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
brullen , brulle , brèlle , zwak werkwoord , brèlle - brèlde - gebrèld, brulle - brulde - gebruld , WBD van een koe: bronstig op een andere koe springen, ook 'rije' genoemd; WBD loeien, ook 'blijte', 'blèère', 'kweeke' of 'kwèèke' genoemd; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRULLEN - Wordt niet enkel gezeid van 't geluid van wilde dieren, maar ook van 't geloei van 't hoornvee. Ook: luidkeels schreien.; brèlle; huilen, schreien; Et bòske brèlde ómdèt gevalle was .Cees Robben – Dan begiende te brellen (19650514); Frans Verbunt: vermeldt ook: rondbazuinen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut