elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brood

brood , brood , (onzijdig) , brö , brood.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
brood , sneden brood , gesneden brood. Zegswijs: da’s sneden brood = dat is iets wat men gemakkelijk kan doen, bv. het oplossen van een gemakkelijk vraagstuk), van eene opgaaf op het schaakbord, of op het biljard, dus iets waarbij men zich weinig behoeft in te spannen, wat men volkomen in zijne macht heeft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brood , brood , Als voorwerpsnaam verstaat men hieronder een achtponds roggenbrood (brood van 4 KG.); de algemeene kost der lagere klassen is brood mit reven kees (of: keeze); ook welgestelden maken er veel gebruik van. Zegswijs: eet joen brood nijt dreug! schertsend spottend voor: neem het er maar van, lijd maar geen gebrek. Vergelijking: sloag kriegen as brood = dikwijls afgerost worden.
brood börgen (brood borgen). Van iemand die gekromd staat zegt men spottend: ’t is net of ’e brood börgen wil; ook Oostfriesch.
brood droagen, Kan iemand niet uitstaan dat men zijne knie tusschen de vingers drukt, dan zegt men plagend: hij ken ins nog gijn brood droagen. Deze aardigheid wordt alleen onder jongelingen vertoond. Nadat de vraag tot een der jongsten onder hen is gericht: Kenst wel’n brood droagen? Knijpt de vriend hem in de knie. Staat hij die proef goed door dan heet het, dat hij eene kinderachtigheid meer heeft afgelegd. (Zou in deze uitdrukking ook de beteekenis kunnen schuilen overeenkomende met: steken u de broodkruimels ook?) Oostfriesch: kanst du al ’n brôd dragen? Wordt deze vraag door een kind met ja beantwoord, dan vat men het om den hals en drukt het bovenlijf naar beneden. Dit zal dan gelden voor zijne goede lichamelijke ontwikkeling.
brood leggen, in: iemand iets op brood leggen, fig.: hem van iets beschuldigen, met iets betichten, altijd in zijne tegenwoordigheid, op den man af; eigenlijk zooveel als: hem wat te slikken geven; hij lag mie dat op brood = dat verweet hij mij; ook Oostfriesch.
brood vreten, in: ’t vret gijn brood, wat men zegt van iets dat men zich heeft aangeschaft zonder er gebruik van te maken, en als dan eene verdediging inhoudt van zulk eene, soms dwaze handeling. Men erkent dat het voorwerp eene overtolligheid is, maar wil het toch niet van de hand doen, ’t is immers geen huisdier dat gevoed moet worden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brood , brood , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – In verkl. broodje, snee brood, boterham.|| Hoeveel broodjes moet ik snijden (hoeveel sneden)? Broodjes maken (boterhammen snijden en smeren). Broodje eten (brood en koffie gebruiken; vgl. kopjesbroodje). Een broodje blijven eten (bij iemand ’s avonds op bezoek zijnde blijven om een avondboterham te eten). Zie zegsw. op praten en vgl. schootjesbrood, stroopbrood en VERLOREN BROOD op verloren. – Vgl. domineesbroodje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
brood , brood , roggebrood.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
brood , braod , mv. braoie, verkl. brǒchie.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
brood , broeëd , broejer , bruëdje , brood.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
brood , brood , onzijdig , bröô [brǿ] , brööchien , (rogge)brood
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
brood , brood , zelfstandig naamwoord, onzijdig , brue , bruedjen , roggebrood. Good zin brood hebm, een behoorlijk bestaan hebben; dat et gin brood, daar hoeft niet dadelijk wat aan gedaan te worden; a’w oew neet hadn en gin brood, dan mo’w van oarmood stoete vretn, we zijn dankbaar voor je hulp, maa
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
brood , brooje , broden
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
brood , broôd , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze op broôd gaan, brood meenemen voor de middagpauze (op de akker of elders). – Z’n meiste broôd al op hewwe, op (ver) gevorderde leeftijd zijn. – Weer (deer) je broôd is, is je vaderland, je vaderland is daar waar je de kost kunt verdienen. – As ’t broôd van oigen deig is, moet je in de bakkeraai bloive, 1. worden er zaken besproken die voor jezelf van belang zijn, dan dien je er bij te zijn. 2. Eigen werk moet je niet aan anderen overlaten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
brood , broëd , roggebroëd, zwárt broëd.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
brood , broeët , (zwart) roggebrood.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
brood , bròòd , zelfstandig naamwoord , brood. Brood stond voor bruinbrood of zuutbròòd. Wie een witbrood wilde hebben vroeg naar ’ne mik. Van bròòd worde gròòt, van mik worde dik, maakte men de kinderen wijs. Ook: krintemik, knipmikske (scheurbrood), pèèrdebròòd (roggebrood).
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
brood , brood , zelfstandig naamwoord , in de uitdrukking het eet geen brood (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), het vret geen brood (KRS: Wijk): bewaren kost niets; ook al zijn de betreffende spullen nu niet nodig, dan hoeven ze nog niet weggedaan te worden; het bewaren kost immers niets. ‘Als je iets bewaren wilt, als je bijvoorbeeld een stel planken hebt, en je hebt ze later misschien nog eens nodig, dan zeg je: leg maar op de *balk neer, ze eten geen brood.’(Hout) In een heel andere betekenis (namelijk: het heeft geen haast) komt de uitdrukking in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 44).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
brood , brood , bro, broon, brèu , broden , bro (Zuidoost-Drents zandgebied, veroud.), broon (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.), brèu (Nsch, veroud.) vroeger roggebrood, nu ook andere broodsoorten Under brood verstao wij roggenbrood, het aander is stoet (Eex), Oet een mudde bakten ze hielwat bro oet (Sle), Haalt mij ies 3 pond brood, een stoete en een tarwestoete (Hgv), Hij hef humzölf het brood uut de spinde verkoft heeft het voor zichzelf bedorven (Die), Die et ok brood gezegd als iem. iets vertelde, dat niet erg geloofwaardig klonk (Sle), Daor kuj nog gien dreug brood met verdeeinen (Nor), Zij hebt gooud heur brood kunnen goed rondkomen (Eex), Hij gunt mij het brood in de mond niet (Hijk), Hie hef mie het brood uut de mond stöt mijn baan weggenomen (Klv), Hie hef zuk het brood veur de neuze weghalen laoten zich laten beetnemen (Sle), Der möt brood op de plank kommen kost moet worden verdiend (Pdh), Overal wordt brood ebakken tegen iem. die verhuist (Dwi), Hij zet er gien brood in (Hgv), Ik krieg ok alles op mien brood van alles de schuld (Gie), Hij wil heur het brood wel uut de mond kieken is afgunstig (Vtm), Der zit wal brood in, mor ik heb er liever stoet bij als men werk heeft, maar eigenlijk niet voldoende (Sle), Ie mut niet ene hen brood halen sturen, die zolf honger hef (Hol), Hij is goud veur zien brood werkt naar behoren (Een), As ik hier brood heb, gao ik veur stoet niet hen het boetenlaand (Emm), Korsten is ok brood; opeten! (Mep) *Hij kan nog gien brood draogen kinderspelletje. Met de handen wuift men onverwacht voor de ogen van het slachtoffer langs. Knippert die met de ogen zegt men de genoemde zin (Row) of: gezegd, als je iemand bij de knie pakt, waar hij/zij niet tegen kan (Eex); Brood, brij en proemen / Dat kan een Zwolsen, ... Fraansen neet noemen [vanwege de brouw-r] / Maor brood, proemen en brij / Daor bint ze as de kiepen bij (Eli); Van brood woj groot / Van stoet kriej een dikke toet (Dro); Genaode vader, brood en stoete zegt iem. die bij het stoeien in de knel is geraakt (Hgv); Zölf dreug brood èten en het gat mit botter smèren gezegde bij zuinigheid (Ruw); Het ongegunde brood wordt het mieste eten (Sti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brood , bróód , brood. meestal bedoeld roggebróód, dit in tegenstelling tot mik. Omdat men roggebróód gezonder vond, maar ook wel uit zuinigheid, zei men: van bróód worde gróót, van mik worde dik. mv. breuj. verkl. breuike.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
brood , brood , brood
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
brood , bróód , brood , Van mik wor’de dik, van bróód wor’de gróót. Van mik word je dik, van brood word je groot. Witbrood was luxe, roggebrood gezond.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
brood , brood , zelfstandig naamwoord , et 1. brood 2. kost, levensonderhoud, bestaanszekerheid, basis waarop men in z’n onderhoud kan voorzien 3. stuifmeel voor de jonge bijen in een bijenkast of -korf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
brood , brôôd , zelfstandig naamwoord , brôôje , brôôdjie , brood Ze hadden d’r de hêêle winter brôôd van Ze konden er de winter mee doorkomen; ’t Is werreke voor gegeete brôôd Iets op afbetaling kopen; De honde lusse d’r gêên brôôd van Gezegd van onwelvoeglijke of slechte daden; Die hassôôn grôôte mond, astie brôôd met stroop at dan kleefde z’n oore Gezegd van iemand met een erg grote mond; Hij is zôô maeger as brôôd Hij is erg mager; Wiens brôôd men eet, diens woord men spreekt 1. Meepraten met degene, waarvan men voordeel kan verwachten 2. Naar de mond praten van iemand van wie men afhankelijk is
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
brood , broewed , brood
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
brood , brood , (zelfstandig naamwoord) , breutien , brood.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
brood , brwoojer , broden
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
brood , broeôôid , broeôôi , brood
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
brood , broead , (onzijdig) , bruuej , bruuedje , roggebrood , Det is broead gebaedeldj: dat is werk dat geen verdienste oplevert. Det kriegtj d’r nog ins op zie broead. Doe bès mich ei bruuedje!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
brood , brôod , zelfstandig naamwoord , brôoj, brôojer , brood, tarwebrood van (volkoren)tarwemeel, al dan niet gemengd met gebroken tarwe en tarwevlokken, en waarin zemelen met het blote oog waarneembaar zijn. (Koninklijk besluit 4 juni 1998); Dirk Boutkan: meervoud: brôojer/ brôoje; – in het Tilburgs was brôod meestal bruinbrood en roggebrood in het bijzonder; witbrood (melkbrood, waterbrood) werd meestal aangeduid met 'mik'; zie mik; zie voor melkbrood zie mèlkmik; zie ròggebrôod; Verschil brood en mik; Piet Heerkens - Den aawe Teurlings wiste de taoffel aaf mee 'nen; slip van z'ne kiel, sloeg de kat naor den aanderen hoek van de kaomer en smeet et brood en de mik in de kaast. (Uit: Oome Teun en de Iemkers - door A. Wibbelt, hertaald door Heerkens); ...zis man moes worre ötgezakt/ drie sneekes mik, vier dikke rogge/ meej en flitterke gehakt (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag); Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Van brôod wòrde grôot, van mik wòrde dik. [bruinbrood werd als gezondere voeding beschouwd]; Frans Verbunt: asge hier brôod hèt, moette daor ginne mik gaon zuuke; Algemeen; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - brôod in de zak hèbbe (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - een wind gelaten hebben; A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): óp dè schip krêege ze beschimmeld brôod; Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Die kan niks as van brôod strónt maoke .Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Van goej brôod kaoj maoke. [?]; Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Ge zult er beeter van piese as van en körsje brôod. [Gezegd om sterke drank te prijzen]; De Wijs – Wanneer zei’k aon de bûrt? Waant ik zie wel dè ge hier brôôd en koffie mee mot brenge [Lang moeten wachten voordat men geholpen wordt]; Cees Robben: Ge stink as ene schoojer nòr zen brôod; Cees Robben: oew brôod swirskaanten int spèk sòppe; Cees Robben: den hónd zótter nòg gin brôod van lusse; We aate vort brôod van un bordje, dè han die gezinsverzörgsters ingevoerd. Die vonden et mar niks, dè wij ons brôod zô op toffel han liggen, as wij ’s mèèrges of ’s aovens brôod aten. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - gin brôod, gin booter, òch Gòd, òch Gòd, òch Gòd (Daamen, Handschrift Tilburgs; 1916) ['òch Gòd' is een klanknabootsing van het geluid dat het weefgetouw maakt.]; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – (1992): ‘bròòd’ - brood; z.a .Henk van Rijen: brôod hòj bèm, goejbotter hòj bèm, toe teej toe hòj bèm; Frans Verbunt: brôod op de plank; Frans Verbunt: brôod meej brôod èn meej brôod ertusse; Frans Verbunt: waor ze schèèten is brôod, èn waor ze bidden is nôod; WBD III.2.3:42 'brood eten', 'sneetje brood' = avondmaal; Bruinbrood; WBD III.2.3:190 geeft bij 'zemelenbrood' voor Tilburg 'bruin brood' als 'zeldzaam'; 'donker brood' voor Kaatsheuvel en Tilburg; 'zoet brood' voor Goirle en Someren - zie zuut; 'kropbrood' voor Hoogerheide en Tilburg .Roggebrood; J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Men verstaat door BROOD hier, bij uitnemendheid, het roggenbrood. Z.a .WBD III.2.3:142 'broodpap' = pap met stukjes roggebrood; WBD III.2.3:191 'brood' = roggebrood; WBD III.4.4:295 'brood' = idem (25 kg); zie ròggebrôod; Zwart brood; Audioregistratie 1978 - …èn dan vatte ons moeder en stuk zwart brôod, dè krêege we zèllef dikkels ok mar hòr want bij ons wier et ötgezèùnegd bij et eete! Dè weet ik nòg goed… zuur brôod, jè, meej zuurdêeg gebakke nèt as den Dötser dieje kuch doen, hè! Èn die kènder, hè, en bietje booter derop. Et trok van gin kaante! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels); Oud brood; Zegsman Frits de Koning – Zoer brôod trèkt de kèèr [oud brood trekt de kar - oud brood was nog goed om paarden mee te voederen]; Hartjesbrood; Cees Robben: Kende gij dè brôojke nog van klaoren blom?; zie hartjebrôod; Wòrstebrôod; Ons moeder zette thee en we aten un paor worstebrooikes... (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); zie wòrstebrôod; brôoj; broden, meervoud van brôod; Dirk Boutkan: (blz. 34) plur. brôoje naast brôojer
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
brood , broeëd , bruuej , roggebrood
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut