elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brommen 

brommen , brommen , *brommen, met genoegen, met vrolykheid ergens van spreken. ’t Is dus op veluwe in gebruik, men zegt ook aldaar in dezelfde beteekenis: Hy zat hier van die zaak te ruischen.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
brommen , brommen , pralen, pronken, b. v. met het hommetje van het overhemd. Holl. een bram, een moedig borstje.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
brommen , brōmmen , = zitten = in de gevangenis zitten, hij mout vief joar brōmmen = hij is veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf; ook Overijselsch en elders.
bedelen langs de huizen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brommen , brommen , Gevangen zitten. H(i)ee hef al tîn jaor zitten brommen. H(i)ee hef estaolen, nu motte brommen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
brommen , brommen* , ook elders, gemeenzaam.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
brommen , brommen , Gevangen zitten. H(i)ee hef al tîn jaor zitten brommen. H(i)ee hef estaolen, nu motte brommen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
brommen  , brômme , brôm, brôms, brômp, brômde, gebrômp , brommen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
brommen , brommen , zwak werkwoord , knorren. Met eimaond brommen: iemand de les lezen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
brommen , bromm , werkwoord, zwak , 1 brommen, 2 een standje maken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
brommen , bromme , inwendig boos zijn, ingehouden mopperen God heurt ’m bromme.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
brommen , brommen , mopperen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
brommen , brommen , brommen, ebromd , mopperen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
brommen , brommen , zwak werkwoord, onovergankelijk , brommen Ie moet niet altied tegen de kiender liggen te brommen (Smi), Zie hebt hum lèest pakt en non mut hie 14 dagen brommen de gevangenis in (Oos), De kodeef moet veer jaor brommen (Rui), (zelfst.) Hie hef aordig brommen had moppers (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brommen , brommen , brommen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
brommen , brómme , brommen , God hur’tem brómme. God hoort hem brommen. Iemand aan zijn gezicht kunnen zien dat hij het er niet mee eens is, maar dat niet zegt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
brommen , brommen , werkwoord , 1. (van bep. dieren) een laag, grommend geluid voortbrengen 2. (van bep. insecten) een dof gonzend geluid maken 3. onduidelijk, binnensmonds en op lage toon spreken 4. knorren, mopperen 5. in de nor zitten 6. op een bromfiets rijden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
brommen , bromme , werkwoord , brom, bromde, gebromd , beren, beerput legen Zie beere Zie ook kegele
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
brommen , brommen , 1. overdadig en uitgelaten feestvieren; 2. met vrolijkheid ergens van spreken (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
brommen , brómme , brómtj, brómdje, gebrómdj , 1. brommen 2. in de cel zitten 3. rijden op een bromfiets
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
brommen , bromme , zwak werkwoord , brommen; hier in de betekenis ‘op een bromfiets rijden’; Cees Robben – Den kapelaon moet brommen... (19550129)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
brommen , brómme , brommen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut