elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brok 

brok , bròkke , (onzijdig) , bròkken , brok.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
brok  , brok , brök , brökske , brok.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
brok , brok , verachtelijke aanduiding, ’t Was vannacht weer zo’n leven boven mijn hoofd, ik geloof dat ’t weer zo’n brok muis was. Die dochter van mijn, dat is niks geen meissie, ’t is net zo’n brok jonge.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
brok , brok , m , brokke , brökskes , brok(ken) koeie brok koeienkoeken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
brok , brokke , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze mit de brokke zitte, met de nare gevolgen zitten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
brok , broek , broedende kip die men op eieren heeft gezet.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
brok , brökkies , brokjes.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
brok , brok , brokke , brokken , Ook brokke (Zuidwest-Drenthe, Coe) = 1. brok, deel As wie wat verdeilen mussen, kreeg ik altied het grootste brok (Bov), Dèenk er umme, maak gien brokken (Mep), Ie kunt hum ok een brok van het wark laoten doen (Hgv), Hij hef een brok in de keel (Schl), De brokkies törf van de wagen ofgaarden (Sle) 2. groot stuk, groot persoon of dier Hie gaf dat pèerd toch een brok brood, dat was niet mooi mèer (Hijk), Der is een hele brok muur naor beneden kommen (Bei), Wat ain brok van ein maid (Eel), ... een peerd (Zui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brok , bròkke , 1. brok, stuk, ook fig.: een brokke van een meid; 2. speculaas
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
brok , brökkien , brokje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
brok , brokke , brok , zelfstandig naamwoord , de 1. brok van iets, stuk 2. stukje dat, hap die men eet 3. flink uit de kluiten gewassen persoon; brokkien, et 1. kleine brokke 2. (mv.) stukjes van de bovenste laag van turf 3. hondenbrokje, kattenbrokje 4. koekje, ook brokje, boterham
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
brok , brokke , (zelfstandig naamwoord) , brökkien , brok. Een brokke sukela. Een brokke in de kèle.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
brok , brùkske , brokje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
brok , brok , zelfstandig naamwoord , kloek (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
brok , bròk , zelfstandig naamwoord , brökske , Van Rijen (1998): toffee; WBD III.2.3:245 1/2brok', 'brokje’ = babbelaar; brökske; brokje, stukje, snoepje; Cees Robben: bloozend brökske onverstaand; - verkleinwoord van 'bròk', met umlaut
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
brok , brok , brök , brökske , brok
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut